Wedstrijdjes zonder winnaars

Donderdag 1 maart. Duurloop. Nog 52 dagen tot de marathon van Londen.

Tempo 1-3Als ik het koninginnerondje in het Maximapark op kom, loopt er precies een renner voorbij die ongeveer even snel gaat als ik. Niets is zo stimulerend als dat! Dus wordt mijn pas nog verender en mijn afzet krachtiger.

Hij loopt een tiental meter voor me en ik kan zijn pas dus uitgebreid bekijken en vergelijken met die van mij. Ik heb een iets hogere frequentie dan hij. Hij komt net wat meer met zijn hak op de grond dan ik, maar hij heeft wel erg lichte schoenen. Hij loopt makkelijk en helemaal niet verkeerd. En al snel heeft hij me in de smiezen, dat zie ik aan hoe hij soms zo onopvallend mogelijk half omkijkt.

Zelf loop ik op een heel comfortabel tempo. Op advies van Geurt in eigen persoon heb ik de testloop gelaten voor wat hij is. Er staat niet alleen te veel wind, maar het is ook te koud om zo snel te gaan. Bovendien loop ik volgende week de City Pier City in Den Haag, dus dan doe ik al een snelle halve marathon.

Ik zou dan ook met gemak kunnen versnellen, maar ik laat de loper nog even bungelen. Als ik hem inhaal wil ik hem ook wel echt voorbij lopen, want eigenlijk heb ik niet zo’n zin om een praatje met hem te gaan maken. Tenzij hij er echt een wedstrijd van wil maken.

Maar net als ik me opmaak om eens lekker uit te halen, slaat hij linksaf een sportpark in. De flauwerd!

Even verderop richt ik mijn aandacht dan maar op een zwerm spreeuwen. Ik ben mateloos gefascineerd door de typische kronkel- en zwenkbewegingen die de beestjes samen maken, maar ik wil mijn lopen er ook weer niet voor onderbreken. Daar is het te koud voor, dus loop ik eerst half en later vrijwel helemaal omgedraaid, om de vogels in de gaten te kunnen houden.

En als ik zo achter me loop te kijken, merk ik de loper op die me achterop komt en die net iets sneller lijkt te lopen dan ik. Het zou zomaar dezelfde loper kunnen zijn van net, die weer uit zijn sportpark vandaan is gekropen! Helemaal zeker kan ik daar niet van zijn, maar in ieder geval concentreer ik me weer op mijn lopen. Want wie het ook is, ik ben niet van plan om het hem makkelijk te maken mij in te halen.

In de kilometer die daar op volgt heb ik steeds het idee dat hij me op de hielen zit en ik verwacht elk moment dat hij me gaat inhalen. Maar als ik dan eindelijk een bocht bereik waarin ik op mijn beurt onopvallend achterom kan kijken, blijkt de afstand tussen ons groter te zijn geworden. Dat geeft de burger moed.

Maar helemaal afschudden kan ik hem ook niet in het tempo waarin ik loop. Dus als ik een viaduct onderdoor ga en voor even uit zijn gezichtsveld raak, doe ik er een schepje bovenop. Eerst lekker met wind mee en daarna met volle wind tegen. Dat moet hem toch op grotere achterstand zetten.

Maar als ik de laatste kilometer van het rondje inga en ik opnieuw achter me kijk, lijkt hij nog steeds op een driehonderd meter van me vandaan te lopen en heb ik dus hoogstens honderd meter op hem gewonnen. Moreel lijkt er voorlopig nog geen winnaar aan te wijzen.

De laatste halve kilometer van het rondje op het Lint gaat vol tegen de wind in, dus doe ik nog eens mijn best. Maar als ik nog eens omkijk om de afstand te meten, loopt er ineens iemand een tiental meter achter me! Gelukkig is het niet dezelfde, want deze heeft een oranje jack aan terwijl de ander donker gekleed was. Maar dat wil niet zeggen dat deze jongen me wel zomaar mag inhalen!

Dus knal ik weer tegen de wind in om het hem zo moeilijk mogelijk te maken. Ik sla af van het Lint richting het Castellum, het plastieken Romeinse fort. En hij komt me achterna, dus misschien wordt het dan toch nog spannend. Maar dan zie ik dat hij even later net een andere richting op gaat dan ik en loop ik helemaal alleen naar huis.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Plaats een reactie

Altijd die voorspellingen!

Woensdag 28 februari. Rustdag. Nog 53 dagen tot de marathon van Londen.

Op de lange weg terug van de Eifel naar Utrecht, de twee paarden achter in de trailer, hoor ik steeds maar weer het weerbericht. De wind gaat flink aantrekken morgen

Dat zorgt voor een gevoelstemperatuur van zo’n -15 graden, zo houdt de weerman ons voor. Maar dat kan me niet zoveel schelen, want dat ben ik gewend de laatste dagen. Ik maak me zorgen over mijn schema.

Morgen is namelijk de dag van mijn testloop over een halve marathon. Vorig jaar viel die volkomen in het water door een storm. Met de wind op de kop kwam ik toen nauwelijks nog vooruit. En dat vond ik op dat moment erg leuk, want het is heel heftig om in zulk onstuimig weer te lopen. Maar als testloop was het waardeloos.

En datzelfde dreigt nu dus weer te gebeuren. Misschien moet ik het schema ietwat aanpassen en morgen gewoon lekker 15 tot 20 kilometer gaan hollen, zonder iets te moeten of te willen. Dan zien we vrijdag of zaterdag wel of ik nog in ben voor een test.

De belangrijkste testloop is toch die over 30 kilometer. En die staat pas over een paar weken op het programma.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Plaats een reactie

Twaalf keer omhoog

Dinsdag 27 februari. Alternatieve loopgroeptraining. Nog 54 dagen tot de marathon van Londen.

FinishboomMijn benen voelen zwaar, mijn ademhaling is gejaagd en mijn hartslag bereikt zijn top als ik op de helling een eenzame boom tegenkom. Om de bocht zie ik dat de helling nog een heel stuk verder omhoog gaat, maar ik houd het voor gezien. Van de boom maak ik een finish.

Ik draai om en loop weer naar beneden, naar de rivier om daarna opnieuw omhoog te hollen. Weer loop ik tot aan de boom, en dan begint er zich langzaamaan een plan te vormen in mijn hoofd.

Ik doe de oefening op de steilste sneeuwvrije helling in de wijde omtrek, die vanaf het bordje einde Amelscheid in een halve kilometer veertig meter omlaag duikelt naar de Our. Afgelopen zondag ben ik de weg drie keer afgedaald, en nu wil ik hem nog veel vaker beklimmen.

Ik ga hem twaalf keer omhoog, bedenk ik me, in series van vier. De eerste drie keer van de serie ren ik tot de finishboom, die op bijna driehonderd meter staat met vijfentwintig meter hoogteverschil. De laatste keer van de serie neem ik het volgende steile gedeelte er ook nog bij, dat ik de eerste keer te ver vond. Dat is vijftien meter hoger in tachtig meter.

Als ik de eerste serie achter de rug heb besluit ik, geheel in de geest van Geurt, dat ik het steeds zwaarder ga maken. De tweede serie moet sneller en ik mag beneden niet meer uitgebreid op adem komen. En de laatste serie ren ik drie keer naar het hogere punt, waarna ik in de allerlaatste loop van deze hele sessie helemaal tot aan het dorp naar boven ren.

Dat plan werk ik gestaag af. Ik begin bij de rivier. Het eerste vrij vlakke gedeelte loop ik rustig om in te komen. Bij het kruis van de op zestienjarige leeftijd overleden Raymund begint de oefening echt en versnel ik. Ik baal ervan als er op dat eerste stuk auto’s voorbij komen. Die mensen zien me dan in een sukkeldrafje naar boven hobbelen. Waarom zou je jezelf dat aandoen, moeten ze denken.

Dan kunnen ze beter net wat later komen, als ik echt aan het stompen ben op het steile gedeelte. Zo, die is stevig bezig! Ook al verklaren ze me ook dan voor gek. Want de zon gaat onder en het is echt heel erg koud, vooral als ik in een rustig tempo weer naar beneden loop.

Terwijl ik naar boven ren heb ik overigens geen last van de kou. Dat moet in een krachtige pas. Verend op de voorvoet en tegelijk met veel kracht uit de bovenbenen, het bovenlijf actief meewerkend en alles stabiel bij elkaar gehouden door een stevig middenrif. Daarbij let ik er goed op dat ik mijn hartslag onder controle houd, want ik moet het wel volhouden tot helemaal bovenaan.

Zeker doordat ik steeds weer naar beneden moet, duurt het allemaal een stuk langer dan de afgesproken anderhalf uur. Thuisgekomen heeft Miriam dan ook stevige honger. Dus ga ik snel douchen om op te warmen en daarna bakken we pannenkoeken.

Een heel pak aan pannenkoeken bakken we, en die eten we allemaal op. Miriam ontploft bijna, maar ik heb niet eens extreem veel gegeten. Dat blijft toch één van de grootste voordelen van het rennen.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Plaats een reactie

Koudestress en spijbelen

Maandag 26 februari. Wandelen en uit eten. Nog 55 dagen tot de marathon van Londen.

Rijden in de kouEen paar maanden geleden vond ik honderd kilometer per week nog een flinke afstand, die ik toen nog maar een paar keer had bereikt. Dat waren topweken, waarin ik veel lange afstanden maakte en waarna ik de kuiten ook echt wel voelde. Maar nu zie ik terloops dat ik afgelopen week ook weer de 100 heb gehaald. Alleen heb ik nu niets bijzonders gedaan en hebben mijn benen niets te klagen.

Dat betekent dat ik het volume nog wel wat kan opvoeren. Daar ben ik klaar voor, maar vandaag begin ik daar niet mee. Vandaag ga ik niet eens rennen. Nog geen stap.

Natuurlijk hebben we al wel onze kilometers op het paard achter de rug, al is het lang niet zoveel als we hier normaal gesproken rijden. In een week Eifel kan de kilometerstand voor het paardrijden met gemak oplopen tot rond de 120 kilometer. Maar dan zitten er ritten tussen van wel 30 tot 50 kilometer, en daar valt dit keer niet aan te denken. Daar is het veel te koud voor.

Vandaag laat de zon zich zelfs nauwelijks zien. Het sneeuwt en de wind is weer opgestoken. De weerapp belooft ons temperaturen die niet boven de -5 graden uitkomen en dat de gevoelstemperatuur bij -15 zal blijven steken.

Maar zo vreselijk blijkt het allemaal niet te zijn. De 6 lagen kleding op mijn bovenlijf houden de warmte goed vast. En als we de bossen in gaan en daar stukken kunnen draven is het eigenlijk best lekker. Twee reeën schieten voor ons over het pad. Het sneeuwt af en toe en soms schijnt de zon door de bomen.

Na ongeveer een uur begint de kou toch door mijn handschoenen heen te trekken. En dan is er al snel geen houden meer aan. Vrijwel het enige gevoel dat zich aan me voordoet is pijn in mijn vingers. Gelukkig kunnen we weer een lang stuk omhoog draven, zodat ik me op de weg moet concentreren om de best begaanbare stukken voor Sprettur uit te zoeken.

Maar het laatste stuk moeten we toch weer in stap door het open land, waar de wind vrij spel heeft. Dan voert het verlangen naar het warme huisje de absolute boventoon. Ik probeer mijn handen af te schermen van de wind, maar ik kan de teugels niet zomaar loslaten. De buff voor mijn gezicht is eigenlijk veel te dun. Maar hoe koud ik het ook heb, het is altijd nog erger dat Sprettur geschoren is. Dus als we eindelijk bij het huisje aankomen moeten we er eerst voor zorgen dat hij een deken om krijgt, zodat hij het tenminste lekker warm heeft. Want ponnies gaan altijd voor mensen.

Als dat dan ook voor elkaar is, de spullen zijn opgeruimd en de paarden staan te eten, mogen we eindelijk naar binnen, waar we onze handschoenen maar met moeite uit krijgen, mutsen af, jassen uit om de warmte toe te laten. Dan kunnen onze lichamen tijdens de lunch de koudestress van zich afzetten.

De afgelopen dagen ging het ook ongeveer zo. Dan ging ik na de lunch nog even verder opwarmen, waarna ik me langzaamaan ging klaarmaken voor het rennen. Maar dat doe ik dit keer niet. Vandaag nemen Miriam en ik het er van. We gaan samen wandelen door het besneeuwde bos om daarna schnitzel te eten in Der Schwarzer Mann, een zeer typisch Duitse uitspanning bij een klein wintersportgebied. Mag het een keer? We hebben toch immers vakantie!?

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Plaats een reactie

Geen vakantie vandaag

Zondag 25 februari. Heuveltraining. Nog 56 dagen tot de marathon van Londen.

UitlopenIk maak er het beste van hier in de heuvels. Als ik niet over de bospaden mag lopen, dan doe ik een training die ik thuis nooit kan doen. Het enige parcours dat me daarvoor beschikbaar staat is een route door het dorp richting Schönberg en dan de heuvel op terug. Dat wil ik twee keer doen, dan kom ik wel aan anderhalf uur lopen, zo schat ik in.

Maar als in Schönberg blijkt dat ik pas een kwartiertje onderweg ben, besluit ik al snel het rondje drie keer te doen. Op één of andere manier spreekt dat me nog meer aan dan twee keer. Geen idee waarom. Misschien omdat twee keer niet genoeg is om het echt een stevige training te maken.

Dus ik maak het allemaal drie keer mee. De snijdende wind op de heuvelkam, waar ik de buff voor over mijn hoofd trek; de buizerd die van de elektriciteitsdraden afsuist en over het land glijdt; de twee blaffende honden achter een hek, een takje op de weg en een paar meter verderop wat ondefinieerbaar rood spul; een troep mussen druk tjilpend in een heg; twee meer dan manshoge sneeuwpoppen, één staat gevaarlijk scheef en van de andere is het hoofd nog maar flinterdun doordat de rest is weggesmolten; het laatste huis van het dorp met daarna het bord einde Amelscheid; de steile afdaling waar ik mijn pas op moet aanpassen naar een haklanding; de Our met de doorwaadbare plaats en het beetje bevroren smeltwater waar ik niet over moet uitglijden; de helling waar bovenop Schönberg begint; de aanhangwagen met daarop “Der Alte Schmiede”; de scherpe bocht naar rechts waarna de twee kilometer lange klim begint; het interactive verkeersbord dat glimlachend aangeeft dat ik 9 à 10 kilometer per uur ga; het stuk van de klim waarop ik de zon recht van voren krijg, behalve de derde keer want dan is hij net achter de heuvel verdwenen; de top van de klim en de daaropvolgende afdaling; de afslag terug naar Amelscheid, vanwaar ik twee keer lekker uit kan lopen en de derde keer een lekkere eindsprint inzet.

En natuurlijk ren ik drie keer de twee kilometer omhoog, in een gestaag maar vlot tempo. De derde keer doe ik er nog een heerlijk schepje bovenop.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Plaats een reactie