Geen kunst of kunst, dat is geen vraag

banaan

Maurizo Cattelans Comedian. Foto Cattelan en Perrotin Galleries

Dat is toch geen kunst!, roept mijn collega bijna verontwaardigd. Natuurlijk is dat kunst, vertel ik hem. Als dat kunst is, dan is dat plankje aan de muur ook kunst! Dan is die kerstboom achter jou ook kunst! Ik hoef niet om te kijken naar het afzichtelijk witte ding met gekleurde lampjes om te weten dat het niet in de verste verte kunst is, maar ik geef hem wel gelijk. Dat kan ook kunst worden, als jij er iets mee doet wat het tot kunst maakt. Dat vindt hij flauw.

Ik ben onverwacht en onvoorbereid terechtgekomen in een discussie over het getapete bananenkunstwerk Comedian van Maurizo Cattelan, een werk dat ik verder niet ken en waar ik alleen van weet doordat ik koppen heb gesneld die repten over een banaan van 120.000 dollar die is opgegeten. Maar de discussie zelf is voor mij niet de eerste in zijn soort. Een jaar of vijftien geleden had ik ongeveer hetzelfde twistgesprek met een andere collega over de tot kunst verheven pispot Fontaine, een van mijn favoriete werken (onverschillig of Marcel Duchamp het nu gejat heeft van Barones Elsa von Freytag-Loringhoven of niet). Mijn toenmalig collega kon ik niet overtuigen en ook nu weer voel ik te veel weerstand tegen het concept van het objet trouvé.

Alleen al dat jij beweert dat het geen kunst is maakt het tot kunst, zeg ik hem nog. Maar ook dat kan op een wegwimpelend gebaar rekenen. Toch is het zo. Want op zichzelf is zo’n aan de muur getapete banaan geen kunst. Natuurlijk niet! Zelfs de kunstenaar zegt dat het geen kunst zou zijn als er niet een of andere sukkelaar was die er 120.000 dollar voor betaalt. Daardoor is het ook volslagen onzin wat die Nederlandse studente beweert. Die zegt dat Cattelin het idee van haar gejat heeft. Zij had een paar jaar geleden namelijk ook al een een banaan op een stuk marmer getapet en daar wat vrienden mee verrast. Gefeliciteerd meid, denk ik dan, maar dit is andere koek. Cattelin heeft er 120.000 dollar voor gevangen, waardoor er wereldwijd over het kunstwerk wordt gepraat en waarmee hij direct een gênant inkijkje geeft in de decadentie van de moderne kunsthandel. Dát is zijn kunstwerk! Bovendien heeft hij er de gelukkige koper een certificaat van echtheid bij gegeven en beweert hij dat hij er een voorstudie in brons van heeft gemaakt, wat het geheel toch net wat hilarischer maakt. 

Cattelin moet verder een gat in de lucht hebben gesprongen toen bleek dat iemand zijn banaan had opgegeten, niet toevallig een andere kunstenaar. Daarmee wordt het hoe langer hoe meer kunst en hoe langer hoe meer waard. Met deze actie heeft het kunstwerk zich zelfs toegang verschaft tot ons kantoor, waar het in de discussie opleeft als ware kunst.

Het is dan ook een vreemde gewaarwording om de woordenwisseling aan te gaan, eentje die in rondjes om zichzelf draait dat je er duizelig van wordt. Want hoe meer mijn collega het kunstwerk ontkent, hoe meer kunst het wordt. Terwijl ik mijn best doe om hem te laten hoe kunst werkt en hoe mooi het is om die kunstprincipes in werking te zien. Maar op het moment dat ik daarin zou slagen, is de invloed van het kunstwerk op onze werkvloer uitgewerkt en heeft de keizer ineens geen kleren meer aan. 

Dus geniet ik nog maar even van zijn prachtige verzet. 

Geplaatst in Spreuken en sproken van alledag | Een reactie plaatsen

Ik beken: mijn katten zijn moordenaars

”moestuin Witje, een van onze zwarte katers – die met een paar witte haren op zijn borst en buik – komt net wat al te enthousiast binnen en loopt zonder op- of omkijken naar het verste eind van de woonkamer. Dat voorspelt weinig goeds, en jawel hoor, even later probeert een muis wanhopig te ontsnappen.

Het beestje heeft geen enkele kans.

Ik hoef niet perse te zien hoe elke poging om weg te komen eindigt met een zwarte poot op het hevig ademende lijfje, hoe Witje het muisje de lucht in gooit, geduldig wacht als het dood speelt tot het opnieuw een poging waagt, om er met dodelijke precisie weer een poot op te zetten. Dus ik dirigeer het koppel naar de deur. Als hij de muis in zijn bek heeft pak ik Witje op en zet hem op de gang, dan verder naar de bijkeuken, totdat ik ze samen buiten kan zetten. Ga daar maar verder spelen.

Lees verder

Geplaatst in Spreuken en sproken van alledag | Tags: | Een reactie plaatsen

Eerste stappen naar een levende tuin

”moestuinMet de riek wrik ik de graszoden los. Vervolgens schud ik ze door elkaar en gooi ik ze meermalen in de lucht om ze om ze met zoveel mogelijk geweld weer op te vangen. Daarmee maak ik zoveel mogelijk zand los dat vastzit tussen de wortels. Voor pierwormen doe ik extra mijn best. Als ze licht genoeg zijn naar mijn zin, gooi ik de zoden op de hoop, waarna ik weer een nieuw stuk gras aanval. Het zijn mijn eerste schreden die ik zet op het tuinierspad. 

Afgelopen week is eindelijk de bestelling aangekomen van de zadenwinkel, met daarin allerlei bloembollen en wat spul voor de moestuin. Gisteren heb ik al zo’n zes tot zeven vierkante meter van ons gazon van gras ontdaan, en vervolgens heb ik daar tientallen bloembollen de grond in gestopt. Vandaag is, in een heel ander deel van de tuin, de moestuin aan de beurt.

Afgelopen zomer hebben we dit huis gekocht, in het buitengebied van Montferland. We hebben het vooral uitgekozen vanwege de aanwezigheid van een hectare weiland, waar de paarden kunnen staan, en vanwege de nabijheid van het Bergherbos, waar we met die beesten kunnen rijden. Maar bij al dat agrarische land kregen we ook nog een grote tuin van een slordige 2500 vierkante meter, met bomen, struiken en vooral heel veel gazon, alles keurig gemaaid, aangeharkt en geknipt. Geen sprietje of twijgje zat verkeerd toen we hier kwamen wonen. 

Lees verder

Geplaatst in Spreuken en sproken van alledag | Een reactie plaatsen

Ontmoeting met een onverschillig god

RagnarokTot nu toe hebben we alles heel bewust vanuit de persoon bekeken. (in de vorige drie delen van Ontsnappen aan het atheïsme) We hebben het namelijk over zingeving, en dat, zo is onze overtuiging, moet nu eenmaal ter hand worden genomen door de zingevende persoon zelf. Dat volgt rechtstreeks uit onze goddeloosheid en vandaar ook dat het scheppingsverhaal begint bij mijn geboorte, het begin van de zin van mijn bestaan. Dat geldt niet alleen voor mij. Ieders zingeving begint bij ieders geboorte. Daarmee worden we in onze werkelijkheid geworpen en vanuit die werkelijkheid scheppen we ons een wereld.

Toch moeten we toegeven dat het zeer onwaarschijnlijk is dat we alles wat bestaat kunnen beschrijven vanuit de persoon. We komen er niet omheen dat er meer is dan wat tegenwoordig is in onze werkelijkheid en wereld. Het enige wat je hoeft te doen is opletten om op te merken dat er zaken zijn die buiten ons blikveld liggen. Steeds breken er er namelijk nieuwe dingen door die voorheen onbekend waren. Er wordt bijvoorbeeld een betere telescoop ontwikkeld en we zien wat verder weg is. Er wordt een nog scherpere microscoop gemaakt en we zien wat nog kleiner is. We worden ietsje gevoeliger voor onze omgeving en we ervaren meer. We bekijken een bekend object even met andere ogen. We struikelen over iets dat we ons nooit hadden kunnen voorstellen maar dat al die tijd bestaan blijkt te hebben. Iemand doet iets waar we zelf nooit aan zouden hebben gedacht.

Maar dat illustreert ook direct het probleem dat we hebben als we gaan praten over wat er buiten onze werkelijkheid en wereld ligt. We zien namelijk pas wat er buiten onze werkelijkheid ligt op het moment dat het er plotseling binnen valt. Even zijn we verbaasd, opgewonden, extatisch, soms geshockeerd of verbijsterd, maar al snel hervinden we onszelf en assimileren we het nieuwe fenomeen in onze wereld. Het wordt gelijkgeschakeld en komt uiteindelijk terecht in handboeken voor de jeugd. We geven het een mooi plaatsje waar het ons niet in de weg staat of waar het ons zelfs van pas kan komen. Dan is alles weer rustig. Daarmee wordt het dus onmogelijk om zelfs ook maar een beetje over de grens van mijn eigen werkelijkheid heen te kijken zonder dat ik ongemerkt toch weer in mijn eigen achtertuin sta te loeren.

Lees verder

Geplaatst in Ontsnappen aan het atheïsme | Tags: | Een reactie plaatsen

Op naar nog meer marathons!

Dinsdag 1 mei. Kort rustig loopje. 9 dagen na de marathon van Londen.

”finisherIk kon het niet laten. Terwijl ik mezelf nog zo had voorgenomen om twee weken volledige rust te nemen, zoals Geurt heeft bevolen.

Maar het weer is zo goed nu, ik ben lekker vroeg thuis en ik heb zo’n zin om te lopen. Een heel klein eindje van 6 kilometer kan toch geen kwaad? Bovendien kan ik dan direct mijn Londens finisher shirt uitproberen.

En wat loopt het fijn en soepel! Mijn hele lichaam veert mee op het ritme. Er is geen enkel pijntje dat me in de weg zit, ik zou nog veel harder kunnen lopen. Maar ik let er goed op dat mijn hartslag keurig in het groen blijft, en zelfs dan haal ik een zwaar hijgende jogger in alsof hij stilstaat.

Terwijl ik langs het kanaal loop laat ik nog even de beelden van de marathon voorbij komen. De massa’s lopers en juichende mensen. Afgelopen week heb ik de ervaring kunnen laten bezinken en tot nu toe blijft het goede gevoel overheersen. Het hele feest dat de marathon was had ik voor geen goud willen missen. Dat was een geweldige ervaring die ik me altijd zal blijven herinneren.

Bovendien heb ik goed gelopen, dat besef ik me ook terdege. Onder de omstandigheden had ik het nauwelijks beter kunnen doen. De klap van de hitte heb ik goed kunnen opvangen en dat kon ik alleen doordat ik zo goed getraind had. Daardoor ging ik niet volledig stuk op de laatste kilometers, wat veel andere mensen wel is overkomen.

Maar nu ik weer voel hoe soepel mijn lichaam zich beweegt moet ik toch ook keihard bekennen dat de teleurstelling over de tijd net zo werkelijk is als de voldoening over het evenement. En die tijd staat keihard overal genoteerd: 3:04:03. Onder de omstandigheden misschien een fantastische tijd, maar wel bijna zeven minuten langzamer dan mijn tijd in Rotterdam vorig jaar. Terwijl ik veel beter in vorm ben dan toen.

En dat steekt!

Er zit dus niets anders op dan doorgaan voor een betere tijd. Deze vorm moet ik de komende maanden vasthouden. Dus vanaf volgende week ga ik weer minstens vijf dagen in de week rennen. Mijn eerste wedstrijd, een 15 kilometer, staat alweer gepland op 3 juni. Dan verwacht ik te profiteren van de post marathon prestatiepiek en dus moet mijn persoonlijk record aan flarden gaan. Daarna staan er een paar tien kilometers gepland, waarbij ik minstens één keer onder de 37 minuten wil duiken.

En zo blijf ik rennen. Eerst nog vier of vijf keer in de week, gewoon omdat ik het leuk vind en voor het vormbehoud. Maar na de vakantie in juli ga ik de training weer intensiveren. Want dan ga ik weer vol in de aanloop naar de volgende marathon!

Daarbij moet ik me er overigens wel rekenschap van geven dat ik niet zo monomaan kan trainen als ik de afgelopen maanden heb gedaan. In de tussentijd wil ik namelijk ook verder komen met Sprettur. Ik wil onze band als team versterken, ik wil een beter ruiter worden, meer van hem en mezelf vragen, meer wedstrijden rijden in hogere proeven.

Dat betekent dat de looptraining regelmatig wordt onderbroken door wedstrijden, trainingen en lessen in tölt, draf, galop, sterkere achterhand, houding, binnenbeen, takt, drijven, niet met de teugels maar met de zit. Maar dat hoeft niet te resulteren in mindere prestaties. Er blijft genoeg tijd over om te rennen.

Ik ben al op zoek naar een goede marathon uit in het najaar. Eindhoven is een kansrijke kandidaat, maar het kan er ook zomaar een worden in Duitsland. In ieder geval wordt het een niet al te drukke marathon, waarbij ik hoop op rustig en aangenaam najaarsweer met een temperatuur van een graad of 14.

Dan gaat mijn PR van afgelopen jaar alsnog uit de boeken daar kun je op rekenen. En dan maak ik voor volgend jaar een afspraak met de marathon bij Myvatn op IJsland. Want er is meer dan genoeg leven na Londen!

Geplaatst in De weg naar Londen 2018 | 1 reactie

Een overweldigende ervaring

Zondag 22 april. Race Day!

”PosterOp ongeveer tien kilometer rennen we Greenwich in. Ik herken de straten waar ik gisteren samen met Miriam ook heb gelopen. Als we nu rechts afslaan moet daar de Cutty Sark liggen. Ik heb me er altijd al op verheugd om daar omheen te lopen in de marathon.

Maar tegelijk houd ik het publiek in de gaten. Dat staat aan beide kanten rijen dik te juichen voor iedereen die voorbij komt. Ergens in die massa moet Miriam zich bevinden. Hadden we maar afgesproken aan welke kant ze zou gaan staan, nu moet ik om beurten links en naar rechts de massa afspeuren.

Dat blijf ik geconcentreerd doen, totdat ik haar enthousiast zie springen met haar armen omhoog. Ze is niet te missen! Ik zwaai en lach. Ik ben blij dat ik haar heb zien lachen en springen. Nu kan ik me weer helemaal richten op de race.

Maar in feite is het bijna onmogelijk om mijn aandacht erbij te houden. Al die mensen leiden me af van waar ik mee bezig ben. Er is zoveel om naar te kijken dat de kilometers zomaar ongemerkt voorbij gaan. Alleen helemaal in het begin staat het publiek niet schouder aan schouder. Vanaf een kilometer of 8 helemaal tot aan de finish staat het rijen dik lawaai te maken.

Hoe verder ik kom, hoe moeilijker het wordt om me ook maar ergens op te concentreren. Rond 13 mijl moeten Jo en Martin staan. Ik probeer ze te zoeken, maar ik merk dat mijn gedachten er niet bij zijn. Door het gejoel van de kant, de drukte op het parcours, de gebouwen en uitzichten, de warmte, door alles bij elkaar is het een overweldigende ervaring.

Ook de lopers om me heen dragen bij aan de sfeer. We proberen elkaar niet in de weg te lopen, en als het me bij een waterpunt even niet lukt om naar de kant te gaan voor een flesje, krijg ik er een van een medeloper. Die heeft er een extra aangenomen om weg te geven. Zelf kan ik het flesje weer doorgeven aan iemand anders. Zo houden we elkaar gehydrateerd.

Op 27 kilometer heb ik alweer afgesproken met Miriam. We zijn nu op Isle of Dogs, maar het lukt me niet meer om te zoeken. Gelukkig is ze er zomaar ineens. Ze staat voor de hekken en stopt me een fles sportdrank toe. Het gelletje dat ik ook had besteld valt bij de overdracht op de grond. Maar dat is niet erg, want er worden er ook uitgedeeld. Ik kom niets tekort.

Sowieso merk ik dat ik had moeten oefenen met die gelletjes. Ik raak buiten adem als ik ze inneem, omdat ik even niet kan ademen terwijl ik ze wegslik. Er moet ook nog water achteraan, dus loopt de ademachterstand sneller op dan ik had verwacht. Dat moet de volgende keer beter kunnen. Ook had ik moeten oefenen met het innemen van paracetamol. Beide keren dat ik twee van die pillen in mijn mond probeer te doen valt de tweede op de grond.

Tegen de tijd dat ik aankom bij mijl 23 ben ik ver opgebrand. Maar ik probeer toch weer in het publiek te kijken of ik daar Jo en Martin niet kan ontwaren, met hun zoontje Billy. Steeds dwalen mijn gedachten af, moet ik uitkijken waar ik loop, moet ik een flesje water aannemen, loopt er iemand in een vreemd pak voor me, haalt een toeschouwer vreemde toeren uit.

Maar net op het nippertje dringt het tot me door dat in de hoge schreeuw die ik al een paar seconden hoor de naam Sander valt te herkennen. Ik kijk achter me en daar zie ik Jo filmen en zwaaien tegelijk. Ik zwaai terug. Jammer genoeg is het te laat om de poster te zien die de kinderen van de Bantangba Nursery School hebben gemaakt.

Nog maar zes kilometer te gaan. Dat is vergelijkbaar met het kortste loopje dat ik thuis doe. Sowieso ben ik de resterende kilometers al een tijdje aan het afmeten aan de routes die ik thuis loop. Eerst was er 10 kilometer te gaan, over de spoorbrug en via het industrieterrein terug. Dan acht, over de Prins Clausbrug. Nu is het nog maar zes kilometer, het kleine rondje via de overzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal. Nog vier kilometer, ik ben al ruimschoots op het fietspad aan de overkant. Nog drie, bijna bij de brug die me weer aan deze kant zal brengen. Zo vermengen mijn trainingskilometers zich met de chaos om me heen.

Ik loop in een roes. In de laatste kilometer wordt die bijna doorbroken door de kramp in mijn rechterkuit. Maar de mensen schreeuwen me voort. Ook zelf moedig ik mezelf aan. Nu niet meer opgeven, nu laat ik me niet meer tegenhouden, houd de controle. Dat werkt.

Het is zonde dat het publiek op het allerlaatste stuk het een beetje laat afweten. Ik probeer ze nog op te peppen door met mijn armen te zwaaien, maar ze reageren nauwelijks. Zeker op de tribunes vlak voor de finish is het rustig. Door de kramp kan ik ook niet meer sprinten om ze te enthousiasmeren.

Maar ik kan er niet bij stilstaan, want daar is de finish al. Dan mag ik de armen in de lucht steken, ik heb het gehaald! Ik mag gaan rusten, ik mag in de schaduw gaan lopen, ik hoef helemaal niets meer.

Eenmaal de lijn gepasseerd loop ik wat wankelend verder en verschillende mensen vragen of het goed met me gaat. Ja, het gaat goed met me. Er is niets aan de hand. Ik heb alleen een marathon gelopen in de hitte, meer is het niet.

Ik krijg een medaille, een tas met een finisher t-shirt en een fles drinken, waar ik dankbaar gebruik van maak. Het is prettig om zo rustig te lopen, de roes duurt voort. Ik zie een lange man onder een heuphoog hek doorkruipen, maar het lukt hem nauwelijks om door zijn knieën gaan, ook hij heeft net een marathon gelopen. We lachen en feliciteren elkaar met onze prestaties.

Ik praat nog even met een Fransman die ook last van de hitte heeft gehad. Hij komt uit het zuiden, zegt hij, dus hij is wel wat gewend. Maar niets kon ons voorbereiden op wat we vandaag hebben meegemaakt. Toch hebben we het gehaald! En het was fantastisch. We schudden elkaar de hand voordat ik doorloop naar de vrachtwagen waar ik mijn tas kan terugkrijgen. Ik ben de eerste die hem komt halen en dus word ik ook daar uitgebreid gefeliciteerd. Ik laat het maar wat graag over me heenkomen.

‘s Avonds, als alles echt voorbij is, bedenk ik me dat ik de Cutty Sark in het voorbijkomen helemaal niet heb gezien. Ik was met heel andere dingen bezig, en dus is het maar goed dat we gisteren al om die klipper heen zijn gelopen.

Bovendien is de marathon geen toeristische trip. Maar een trip is het zeker.

Geplaatst in De weg naar Londen 2018 | 1 reactie

Warm, warmer en nóg warmer

Zondag 22 april. Race Day!

”rennend in LondenNa het inlopen sta ik met een paar andere renners in de schaduw van een reclamebord. Het is de enige schaduw die in ons startvak te bekennen is, en daar maken we dankbaar gebruik van.

Het is zo’n twintig minuten voor de start en anderen lopen nog hun rondjes. Ook zijn er al die hun plaatsje vooraan veiligstellen. Het gesprek naast me gaat over richttijden. ‘Mine is out the window’, zegt er iemand. Anderen knikken. Zelf kijk ik opnieuw met enig afgrijzen en ongeloof naar de scherpe schaduwen van hekken en mensen en laat ik het felle licht op me inwerken. Het gaat echt heel erg warm worden vandaag!

Toen ik vanochtend de gordijnen opentrok zag ik al dat er geen wolkje aan de lucht was. Er hing alleen een lichte nevel tussen de gebouwen, maar dat was ongetwijfeld te wijten aan het vroege tijdstip. Zelfs op dat moment hoopte ik nog op de beloofde lichte bewolking die was beloofd in de voorspellingen. Ik maak het zo vaak mee dat in de vroegte de zon schijnt, waarna de lucht geleidelijk aan dichttrekt.

Maar van dichttrekken was nog geen enkele sprake toen we na het ontbijt naar buiten kwamen om plaats te nemen in de bussen die ons naar de start zouden brengen. De dunne trui die ik had aangetrokken over mijn loopshirt had ik niet nodig. Bovendien was de grond nat, waaruit bleek dat het afgelopen nacht geregend heeft. Dat doet weinig goeds vermoeden voor de luchtvochtigheid.

Sindsdien is er zowat twee uur voorbij, maar er is niets veranderd, behalve dat het alweer een stuk warmer is geworden. En dus moet ik mijn collega loper naast me gelijk geven. Mijn tijd zou het raam uit moeten. Alleen ben ik nog niet bereid dat toe te geven. Ik ben toch aan mijn stand en aan mijn volgers verplicht om in ieder geval een poging te wagen! Ze hebben toch niet voor niets geld gedoneerd aan mijn goede doel!

Dus wijzig ik mijn plan niet wezenlijk, maar maak ik het wel een stuk strakker. Want wil ik aan het eind nog overhebben, dan zal ik mezelf in het begin moeten sparen. Dus neem ik me voor om echt niet sneller te gaan lopen dan een tempo van 4:10 per kilometer. Dat moet ik lang kunnen volhouden, en als het allemaal meezit kan ik aan het eind versnellen. Zo niet, dan blaas ik mezelf in ieder geval niet op.

Dat betekent wel dat ik de schaduw van het reclamebord moet verlaten om mezelf te verzekeren van een goed plaatsje vooraan in het startvak. Dan hoef ik tenminste geen kracht te verbruiken om al die mensen in te halen. Die kracht kan ik wel anders gebruiken.

De jongen waar ik naast sta als de klok langzaam richting het startsein van de koningin kruipt vertelt me dat hij zijn plan voor een tijd onder de drie uur ook nog niet heeft opgegeven. Het is zijn tweede marathon. De vorige, in Amsterdam, heeft hij gelopen vrijwel zonder te trainen en toen deed hij er iets langer over dan drie uur. Nu heeft hij heel veel getraind. Hij heeft het over 100 mijl per week, wat neerkomt op 160 kilometer.

Daar ben ik van onder de indruk, en ik vertel hem dat het hem met zo’n training wel gaat lukken. Maar dan blijkt zijn onervarenheid met de marathon. Hij denkt namelijk dat hij na zes mijl meer zal weten. Terwijl je na zes mijl nog helemaal niets weet. Je weet pas echt iets na 20 mijl en zelfs dan is wat je weet volstrekt onzeker.

Na de start verlies ik hem al vrij snel uit het oog. Hij loopt langzaam van me weg en ik doe geen enkele moeite om hem bij te houden. Ik houd mijn pas rustig, mijn adem onder controle. Ik probeer zo weinig mogelijk moeite te doen. En dat lukt heel goed. Het is verbazingwekkend hoe makkelijk het tempo me afgaat. Die week rust heeft wonderen gedaan.

Het eerste uur werkt mijn interne koelsysteem geweldig. Ik let er wel op dat ik drink bij de vele drinkposten die de London Marathon rijk is. De eerste is op zo’n drie mijl van de start, maar daarna is er zowat elke mijl wel één. En ze serveren het water in flessen. Dat drinkt veel comfortabeler dan uit de bekers die ze in Nederland serveren. Met bekers krijg je nauwelijks iets binnen omdat het er allemaal overheen klotst terwijl je rent.

Daarnaast stellen de flessen me in staat om het zweet gecontroleerd van mijn gezicht te spoelen. Het is nog niet nodig om mezelf helemaal nat te sproeien, en ook hoef ik nog geen toeren uit te halen om bij de douches te komen die hier en daar op het parcours staan opgesteld. Die zijn heel erg koud en dat voelt niet prettig aan.

Maar dat verandert gaandeweg. Zo rond 11 uur, als ik een uur onderweg ben, kom ik de eerste plek tegen die onaangenaam warm is. Het is maar een korte sensatie, maar de momenten van warmte volgen elkaar daarna steeds sneller op. Tegen die tijd is de temperatuur opgelopen naar 23 graden.

Dan krijg ik ook mijn maat uit het startvak weer in het oog. Ik haal hem een stuk makkelijker in dan ik had verwacht. Ik probeer hem nog een hart onder de riem te steken, want hij zit goed op schema voor een tijd onder de drie uur. Als hij dit volhoudt haalt hij het makkelijk. ‘You’ll be alright’, vertel ik hem, ‘your training was good enough.’ Maar dan ben ik hem voorbij en zijn antwoord versta ik niet. Alleen uit zijn toon begrijp ik dat hij zelf zo zijn twijfels heeft. Ik zal hem ook niet terugzien.

Halverwege de race, net nadat ik de Tower Bridge ben overgegaan, zie ik op de officiële klok een tijd staan die ruim onder de 1:29 zit. Ik zit dus nog redelijk in de buurt van mijn schema, maar het wordt nu allemaal toch wat moeilijker. Ik houd het tempo nog een aantal kilometer vol, tot op Isle of Dogs. Maar als ik Canary Wharf weer inloop moet ik steeds tien seconden toegeven.

Daar lopen we even tussen hoge gebouwen en dus in volledige schaduw. Dat blijkt een werkelijke verademing. We kunnen er even bijkomen van de warmte. Maar we moeten de zon weer in, en dat vervult me met tegenzin. Het is een teken dat de warmte nu werkelijk aan me begint te vreten. Vanaf nu probeer ik ook zoveel mogelijk de kant van de straat te nemen waar schaduw is. Ik heb liever schaduw dan de ideale lijn, alweer een teken aan de wand.

Op 32 kilometer is de droom definitief voorbij. Ik voel dat ik drastisch tempo moet minderen wil ik mezelf niet helemaal opblazen. Vanaf dat moment zijn er nog maar een paar prioriteiten in mijn leven. Koelen en soepel blijven lopen zijn de belangrijkste, maar genieten van de feestelijke atmosfeer is er zeker ook een. Tempo houden is weggevallen.

Vanaf nu laat ik ook geen druppel water uit de flesjes meer verloren gaan. Ik probeer niet te veel te drinken, omdat meer water vooral klotst in mijn maag. Dat betekent alleen maar dat ik meer water overhoud om over mezelf uit te gieten. Ook douches sla ik niet meer over, ik loop er vol doorheen. Op 38 kilometer komt er heel even een piepklein wolkje voor de zon. Het is maar een kort moment van schaduw, maar ik weet ervan te genieten.

Mijn nieuwe houding ten opzichte van de race blijkt te werken. Aan het verval komt een eind. Ging ik eerst langzaam richting de 5 minuten per kilometer, in de veertigste weet ik dat weer om te buigen naar 4:50. Dan begin ik ook weer mensen in te halen die het nu werkelijk zwaar beginnen te krijgen. Er zijn op dat laatste stuk zelfs mensen die wandelen of stilstaan. En verbazingwekkend weinig mensen halen me nog in. Blijkbaar heeft iedereen om me heen het zwaar.

In de laatste kilometer krijg ik een lichte krampaanval in mijn rechterkuit, maar die weet ik beperkt te houden. Door de haklanding te gebruiken kan ik mijn kuit al lopend gestrekt houden, waardoor de pijn niet echt doorzet. Maar voor een versnelling heb ik mijn voorvoeten nodig en dus weerhoudt die kramp me er wel van om voluit richting de finish te sprinten. Toch een kleine anticlimax.

In feite gaat de race zo uit als een nachtkaars. Maar wat ben ik blij dat ik over de finish ben! En wat ben ik intens tevreden over wat ik heb gedaan. ‘I deserve that!’, zeg ik tegen de vrouw die me mijn medaille gaat omhangen. Ze feliciteert me van harte.

Geplaatst in De weg naar Londen 2018 | Een reactie plaatsen