Even klagen

Vrijdag 9 februari. Korte duurloop. Nog 72 dagen tot de marathon van Londen.

Ramses uitgeteld op de bankIk heb er de pest in! Het is een lange drukke week geweest op het werk. Ik heb net twee kruiwagens mest uit een wei gehaald, met kuil gesleept en water gepompt in een snijdend koude wind. Ben ik eindelijk thuis, moet ik boodschappen gaan doen. En ik moet gaan uitkijken naar Ramses, die sinds dinsdag weer spoorloos is.

Sowieso zorgt dat laatste er de afgelopen dagen voor dat ik een pesthumeur heb. Want het zag er zo goed uit nadat hij een paar keer thuis was gekomen van zijn nachtelijke avonturen en op de bank had liggen maffen. En die pest wordt nog verergerd doordat ik helemaal niet weet waar hij is. Vandaag is hij opnieuw nergens te bekennen als ik op mijn fiets rondjes rijd in de buurt waar ik hem de vorige twee keren heb gevonden, terwijl ik de donkerste plekken verlicht met mijn hoofdlamp.

En als ik dan thuiskom met een volle boodschappentas en zonder Ramses mag ik niet eens eten gaan koken. Ik moet eerst nog gaan hardlopen. Het is maar een uurtje op een makkelijk tempo, maar op dit moment is de berg van gecumuleerde dingen die ik doen moet bijna te hoog om daar ook nog eens hardlopen bovenop te stapelen.

Hardlopen moet altijd maar uitkomen. Hardlopen moet er altijd tussendoor. Het is een constant moeten. Wat er ook aan de hand is, waar ik ook heen ga, wat ik ook gedaan heb, hoe ik me ook voel, hoe dan ook, ik moet ook nog even hardlopen.

Daar kies ik natuurlijk zelf voor. Want er is verder niemand die me dwingt. Niemand drukt een pistool tegen mijn hoofd en roept dat ik moet gaan rennen. Ik doe het helemaal zelf. Alleen maakt dat de druk niet kleiner. Dat maakt hem misschien zelfs groter. Want ik moet niet alleen gaan rennen, ik moet er ook nog zelf voor zorgen dat ik ga rennen. Zelfs dat kan ik niet aan iemand anders overlaten.

Bovendien sneeuwt het!

En als ik dan heb gerend – want dat doe ik natuurlijk gewoon, en als ik eenmaal bezig ben gaat het lekker op een mooi constant tempo – moet ik verdomme ook nog dit stukje schrijven!

Mag dan nu dan eindelijk het weekend beginnen!?

Elke dag een blog over mijn training voor de London Marathon op 99 dagen tot Londen

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Een reactie plaatsen

Pijn die ik nog niet ken

Donderdag 8 februari. Testloop. Nog 73 dagen tot de marathon van Londen.

tempo 8-2Als ik thuiskom van mijn werk start ik even snel de computer op om te kijken hoeveel pauze ik tussen de kilometers mag nemen bij mijn intervaltraining. Maar als ik het schema open, blijkt dat er helemaal geen intervaltraining op het programma staat voor vandaag. Vandaag is het tijd voor mijn eerste testloop. Zestien kilometer op marathontempo.

Dat betekent dat ik heel snel een mentale omschakeling moet maken, want de lichamelijke inspanning die ik ga leveren is van een heel andere orde dan die waarop ik me heb voorbereid.

Ik zet de gedachte aan de interval resoluut uit mijn hoofd en breng me voor de geest wat een testloop nou is en wat ik dus van mezelf moet verwachten. Wat ga ik in het komende ruime uur precies testen? Dat is niet of ik 16 kilometer op marathontempo kan lopen. Dat lukt me wel als ik een beetje mijn best doe.

Wat ik werkelijk wil testen is of ik dat tempo ook redelijk makkelijk kan volhouden, en of ik na die zestien kilometer het gevoel heb dat ik zonder problemen nog een kilometer of tien door kan gaan. Eigenlijk moet ik de testloop fluitend kunnen rennen.

Dus doe ik, eenmaal omgekleed en buiten op straat, een paar steigerungen om mijn hartslag steeds even omhoog te jagen. Ook dat is nog steeds mentale voorbereiding op wat ik ga doen. Ik ga rennen op het hoogste tempo dat ik langdurig kan volhouden.

Als ik een paar kilometer onderweg ben blijkt dat ik het benodigde tempo vandaag niet kan ontwikkelen zonder al te hard mijn best te doen. Het gevoel dat mijn tong met een snelheid 4 minuten per kilometer na zestien kilometer op mijn knieën zal hangen weerhoudt me ervan om echt aan te zetten.

Toch is mijn hele schema ingesteld op dat tempo, wat me over een hele marathon onder de 2:50 zou brengen, een prestatie die ik maar wat graag wil leveren. Alleen is een hele marathon lopen op een tempo van 4 minuut per kilometer een heel zware opgave. Daar doordringt deze testloop me nog eens goed van.

Als ik met het toch nog keurige tempo van 4:05 per minuut de laatste kilometers afleg, komt er een uitspraak van Geurt bij me boven drijven. Die zegt regelmatig dat er niets zwaarder is dan een hele marathon volle bak lopen. En deze uitspraak versmelt in mijn hoofd met wat ik weet over het werelduurrecord op de fiets van Bradley Wiggins: een uur lang volle bak fietsen levert een bijna ondraaglijke pijn op.

Dan realiseer ik me heel helder dat het tempo waarop ik nu loop me bij de marathon een pijn gaat opleveren die ik nog niet ken. En hoe harder ik wil, hoe ondraaglijker de pijn zal zijn.

Ik heb nog iets meer dan tien weken om uit te vinden hoeveel ik daarvan kan verdragen.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Een reactie plaatsen

Perfectie zou ik wel willen

Woensdag 7 februari. Rustdag. Nog 74 dagen tot de marathon van Londen.

Net als vrijwel iedereen die begint met lopen had ik bij mijn eerste marathon nauwelijks nagedacht over mijn techniek, landde ik gedachteloos op mijn hak en besteedde ik geen aandacht aan mijn houding.

Maar dat is door de jaren heen nogal veranderd. De eerste aanzet die ik daarvoor maakte, toch zeker zo’n 13 jaar geleden, was eigenlijk het vastzetten van mijn rug, waar ik in die tijd steeds maar weer doorheen ging. Daar had ik steeds veel pijn en ongemak van, waardoor ik het me gewoon niet meer kon permitteren om er geen aandacht aan te besteden. Dus spande ik tijdens het lopen alle spieren aan die in mijn onderrug en buik zaten. Sindsdien vangen die de klappen op, wat tegenwoordig vaak een ‘stevige core’ genoemd wordt. Toen heeft me dat even wat spierpijn opgeleverd, maar last van mijn rug heb ik niet meer gehad.

Bovendien maakte deze wijziging alle veranderingen mogelijk die ik later heb doorgevoerd. Zo raakte ik in 2012 onder invloed van natural running. Aanvankelijk heel voorzichtig. Ik kocht een paar schoenen die wat minder demping op de hak hadden, omdat ik het gevoel had dat die demping me meer in de weg zat dan dat ik er voordeel van had. Wat kan daar mis gaan, zou je zeggen.

Maar zo’n andere schoen heeft een geweldige impact op hoe je rent. Dat moest ik weer helemaal opnieuw leren, hoe gek dat ook klinkt. Ik wist nauwelijks meer hoe ik mijn voeten moest neerzetten. Ik begreep het gewoon niet meer. Ik heb kilometers lopen worstelen, heel bewust van mijn hoe ik liep, terwijl ik steeds maar weer iets anders probeerde. Zo loopt het wel goed. Nee, toch niet. Iets anders proberen. Ja. Hee, ik loop weer anders. Wat doe ik nu? Ik kreeg maar niet uitgevogeld wat ik moest doen.

Daarvoor had ik een paar clinics nodig, beide van David van der Linden van Slim Lopen. De eerste was gewoon een workshop bij een sportwinkel in Utrecht. Van David leerde ik dat je de voet eigenlijk plat moet neerzetten en dat je niet hoeft af te zetten met je voorvoet, iets waar ik zelf nooit op was gekokmen. Daaruit vloeide direct voort dat je de voet recht onder je neerzet. Vervolgens val je eigenlijk gewoon voorover en vang je jezelf op, waardoor je snelheid maakt.

Dat is de pure natural running-techniek. Na nog een cursus van David van der Linden in de bossen bij Mierlo kocht ik geheel platte schoenen en daar heb ik ook een paar marathons op gelopen, al moet ik zeggen dat het daarop nooit sneller is gegaan dan die in Utrecht aan het begin van 2012. Records heb ik er dus niet op gebroken.

Maar het was wel een perfecte manier om me heel bewust te maken van mijn techniek. Alles moet op dat soort schoenen namelijk kloppen, anders komen de klappen veel te hard aan. Want je hebt geen demping in de schoenen. Je voelt alles. En dat was weer iets dat ik meenam naar de voorlopig laatste fase in mijn ontwikkeling.

Sinds ik bij Geurt ben gaan trainen ben ik veel sterker geworden. Ik heb veel meer kracht in bovenbenen, kuiten en voeten. En daardoor kon ik ook steeds meer op mijn voorvoet gaan lopen. Met die voorvoet vang ik tegenwoordig de klappen op. Ik klauw ze net iets voor me in de grond, waarna ik er pas op ga leunen als ik er met mijn zwaartepunt boven ben. En dan lanceren ze me direct voor de volgende stap.

Zo voelt rennen rennen heel natuurlijk aan en vlieg ik met zo min mogelijk inspanning over de weg. Mijn voorvoet lanceert mijn hele lichaam, mijn knie gaat omhoog waardoor het onderbeen als vanzelf ontspannen naar voren gaat, precies naar de juiste plek net voor me. En als die voorvoet eerst onderzoekend de grond raakt is de hele keten van mijn lichaam, van die voorvoet via de hiel, kuiten, bovenbenen, dijen, buik, rug naar de armen, voorbereid op de volgende sprong in de loop, alles precies in balans en geformeerd rond de core, waar alle verandering al die jaren geleden dus mee is begonnen.

Zo heb ik mijn lichaam in de loop van de tijd veranderd in een geoliede renmachine, waar alles op zijn eigen spanning staat, zijn eigen taken uitvoert, zijn eigen banen beschrijft en zo bijdraagt aan een soepele tred. Al is er natuurlijk altijd wel een onderdeeltje dat net iets beter kan worden afgesteld.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Een reactie plaatsen

Hebben en overhouden

Dinsdag 6 februari. Loopgroeptraining. Nog 75 dagen tot de marathon van Londen.

tempo 6-2Geurt wil vandaag wat meer snelheid in de training brengen, zeker omdat Wijnand komend weekend uitkomt bij het Nederlands kampioenschap op de 10 kilometer in Schoorl. Maar het vriest, dus mag het ook weer niet al te hard gaan. Het compromis dat daar uitrolt is 5 maal 5 keer 200 meter in ongeveer 40 seconden. 30 seconden pauze binnen de series en 3 minuten of minder er tussenin.

Zelf hobbel ik achteraan mee in het kleine groepje. Ik verlies nog net de aansluiting niet. Want weer doe ik precies wat Geurt me opdraagt en meng ik me niet in de onderlinge wedstrijdjes die hier en daar toch ontstaan. Het moet vlot gaan maar vooral op souplesse. “Je moet het gevoel hebben dat je er nog makkelijk 200 meter achteraan kunt plakken”, zo luidt het advies. En dat zou me wel lukken. Zelfs 800 meter zou nog wel gaan.

Maar ik ben blij dat dat niet hoeft. Want die snelle kilometers moet ik donderdag weer gaan lopen en dit keer wil ik daar graag wat kracht voor overhouden.

Elke dag een blog over mijn training voor de London Marathon op 99 dagen tot Londen

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Een reactie plaatsen

Gewend aan racen

Maandag 5 februari. Herstelloop. Nog 76 dagen tot de marathon van Londen

Medaille Asselronde 2018De wedstrijd van gisteren was natuurlijk helemaal geen echte wedstrijd. Geurt had ons gezegd dat we vooral niet op marathontempo moesten gaan lopen. In deze fase van onze training moeten we dit soort evenementen gebruiken om onszelf opdrachtjes te geven en die keurig uit te voeren. Bijvoorbeeld de tweede helft harder lopen dan de eerste, of iedere 5 kilometer ietsjes sneller gaan.

Sinds ik me donderdag zo stuk beet op het intervallen, heb ik me voorgenomen beter naar Geurt te luisteren en soms zelfs gewoon te doen wat hij zegt. Zeker nu ik minstens 100 trainingskilometers per week maak lijkt me dat een goed idee. En dus had ik me gisteren voorgenomen om te starten op een tempo van 4:30 per kilometer, waarna ik er dan iedere vijf kilometer 5 seconden vanaf zou halen. En dan aan het eind natuurlijk alle remmen los.

En zowaar heb ik me ook nog redelijk aan dat plan gehouden, al startte ik net wat sneller. De eerste 10 kilometer heb ik in ieder geval lekker rustig gelopen, zonder me op enige manier in te spannen. Pas vanaf ongeveer kilometer 12 ging ik net ietsje beter mijn best doen, vooral vanwege het groepje met Menzis- en politiejongens dat me inhaalde en dat ik liever niet helemaal uit het oog verloor.

Vanaf 15 kilometer ging het dan weer wat langzamer, maar dat kwam vooral door de berg en de wind. De intensiteit ging omhoog, en daar gaat het toch om. En op het laatst, samen met mijn loopmaat die na wat onderzoek William blijkt te heten, gingen inderdaad alle remmen los.

Deze opbouw van mijn race kan mogelijk verklaren hoe het kon gebeuren dat ik relatief makkelijk iedereen voorbij liep in die laatste kilometers, hoewel uit de video’s van de finish blijkt dat nog behoorlijk wat lopers goed konden meekomen.

Het kan namelijk zijn dat ik aan het einde van de wedstrijd, toen ik er dan toch nog een race van maakte, simpelweg niet tussen renners van mijn eigen klasse liep, William daargelaten die zichzelf vermoedelijk onderschat.

Sowieso was ik al gestart in startvak B, aangezien ik mijn startnummer had overgenomen van iemand anders, en bovendien had ik de eerste tien kilometer lopen flierefluiten. Daardoor had ik de mensen laten gaan waar ik normaal gesproken tussen hoor te lopen. Het tegenargument dat de mensen waar ik tussen kwam te lopen me toch nog konden bijhouden kan ik weerleggen door erop te wijzen dat ik er een zware trainingsweek op heb zitten. Anders was ik nog frisser geweest en had ik ze mijn hielen laten zien.

Het is een mogelijkheid.

Aan de andere kant wordt de Asselronde veel gebruikt in de training naar een marathon. Dus lopen er daar veel mensen met volle benen van het trainen, die de race, net als ik, precies even anders aanvallen dan een reguliere wedstrijd.

En zo is mijn verklaring nog sneller ondergraven dan hij was opgebouwd, en stort hij direct volledig in elkaar. Het enige wat me overblijft om te zeggen over de uitslag is dat ik met relatief weinig moeite toch nog ben uitgekomen op plaats 155 van de 2618 lopers. Dat zullen veel mensen best goed vinden. En bovendien heb ik lekker gelopen.

Maar als ik echt iets waardevols wil zeggen over mijn plaats in een rangschikking zal ik toch gewoon mijn best moeten doen. Wat ik hierboven bazel zijn dus alleen maar hersenspinsels van iemand die er aan gewend is dat wedstrijden echte wedstrijden zijn, zonder terughoudendheid, tot op het bot en met het mes op tafel.

Dit voelt gewoon onwennig.

Maar al was het dan geen echte wedstrijd en al heb ik me niet helemaal leeg gelopen, het was ook geen normale training! Het ging over de afstand van een lange duurloop, maar dan een stuk sneller. In feite was het een duurloop en vaartspel in één.

En dus hoef ik vandaag dat vaartspel niet te spelen. Vandaag loop ik gewoon rustig mijn rondje om de spieren wat los te gooien. Dan kan morgen de week weer losbarsten.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Een reactie plaatsen

Loopmaat voor één dag

Zondag 4 februari. Wedstrijd over 25 km. Nog 77 dagen tot de marathon van Londen

Start Asselronde 2018Al na vijf kilometer verlies ik mijn loopmaat van vandaag. Robert-Jan moet afhaken met een blessure aan zijn enkel. Daar had hij al over verteld in het startvak. Bijna was hij niet eens gekomen vanwege een paar pijntjes, één in de kuit en een ander in de enkel. En na vijf kilometer blijkt dus dat hij vandaag inderdaad beter thuis was gebleven.

Gelukkig vind ik na ongeveer 15 kilometer een nieuwe partner. Die komt me voorbij als de laatste klim is begonnen en we de wind ineens pal tegen hebben. Daar krijgt iedereen het moeilijk, en dan ligt het er maar aan hoe je je pijn kunt verbijten.

Zojuist heb ik al twee Menzis-jongens opgeraapt. Die waren me rond de 12 kilometer voorbij komen draven in het kielzog van een aantal politielopers, die ik nu in de verte nog zie lopen. Maar ook ik heb het nu moeilijk in mijn eentje. En juist dan komt hij voorbij. Als hij op gelijke hoogte komt steek ik nog mijn duim omhoog, als teken dat ik zijn tempo bewonder en dat hij vooral zo door moet gaan. Maar ik blijk te kunnen aanhaken, waarbij het me heel goed van pas komt dat ik in de afgelopen weken het vaartspel heb gespeeld. Even niet je eigen tempo lopen, maar aanzetten.

Samen rennen we naar boven en houden we de snelheid er redelijk in. Vanuit het achterveld komt nog een loper ons versterken, maar die blijft voornamelijk achter ons rennen. Eenmaal bovenop de berg, zo rond de 18 kilometer, lijkt mijn kompaan het even moeilijk te hebben. Zelf zet ik vol goede moed de pas er in, waardoor ik een gaatje sla. Maar ik moedig hem aan: “Kom op, vanaf hier is het alleen nog naar beneden!” Hij heeft me naar boven gesleurd met zijn krachtige passen, dus ik ben niet van plan hem hier achter te laten. Hij reageert op mijn roepen en haalt me weer bij. Hij komt zelfs voor me lopen. De andere loper kan het gaatje niet overbruggen en we zijn weer alleen.

Door het tempo dat we aanhouden komt het politiegroepje steeds dichterbij. We maken zelfs de aansluiting, en op dat moment lijkt het er even op dat mijn loopmaat de luwte van het groepje wel fijn vindt en zich er in wil nestelen. Zelf loop ik naar de kop, waar ik hoor hoe moeilijk ze het er hebben. “Nee, dit gaat te snel”, hoor ik al snel. Ze laten lopen en ik ben weer in mijn eentje. En in mijn eentje krijg ik het opnieuw zwaar.

Maar gelukkig meldt mijn medestander zich al snel. Hij heeft de politie gelaten voor wat die is en we denderen naar beneden, waarbij we het ene groepje na het andere oprollen. Sommigen proberen in onze slipstream mee te gaan, waardoor we af en toe de kop vormen van een wat groter groepje. Maar uiteindelijk blijven we opnieuw alleen over.

Op de laatste driehonderd meter, als we de streep al zien liggen, moet ik hem een paar meter geven. Maar we hebben er een mooie loop op zitten, en daar feliciteren we elkaar na de finish hartelijk mee.

Precies dit soort onverwachte gebeurtenissen zorgen ervoor dat het steeds weer spannend is om naar wedstrijden te gaan. En als ik thuis kom ligt er ook nog een kater op de bank. Het kan niet mooier.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | 1 reactie

Eigenwijze Katerloop

Zaterdag 3 februari. Korte duurloop. Nog 78 dagen tot de marathon van Londen

Ramses is buitenVandaag zijn mijn gedachten tijdens het hardlopen vooral bij mijn kater, Ramses, ook wel Houdini genoemd. Vanochtend heb ik hem buiten gelaten.

Dat is voor het eerst nadat hij acht weken binnen heeft gezeten. Voorafgaand aan die periode liet hij vooral zichzelf buiten. Eén keer, toen hij net een dag of vier bij mij was, maakte hij een deur open en wurmde hij zich vervolgens door het wc-raam. Het was natuurlijk heel dom van mij dat ik dat raam op een kier had laten staan, maar eigenlijk had ik er niet eens aan gedacht om het te sluiten.

De eerste dagen die daarop volgden zat hij nog in de buurt. Hij is zelfs nog een keer binnen geweest om te eten. Maar daarna vond hij zijn weg naar een buurt waar hij eerder had gewoond, niet zo heel ver hier vandaan. Vanuit zijn vroegere huis kregen we foto’s van hem toegestuurd. Daarom ben ik daar gaan zoeken met zijn oude baasjes, een renmaat uit mijn loopgroep en zijn vrouw. Zij moesten hem wegdoen omdat hij jaloers werd op hun dochter, die hij een klap verkocht als hij de kans kreeg.

Hij bleek inderdaad in die buurt rond te hangen. Desgevraagd hadden verschillende mensen hem gesignaleerd, zonnend bij de fietsenstalling of rondsluipend door de bosjes. En net toen we op het punt stonden het op te geven en naar huis te gaan, kwam er een oude buurman aan fietsen met het nieuws dat hij Ramses zojuist even verderop onder een auto had zien zitten. En daar zat hij inderdaad.

Vervolgens heb ik hem toch zeker weer drie dagen binnen kunnen houden. Want alweer had ik hem onderschat. Dit keer brak hij door een hele stellage heen die ik voor het kattenluik had gebouwd. Die stellage bestond uit een grote plank, een zware computer, een volle koffer en nog meer zware dingen. Het kattenluik zelf zat bovendien op slot. Maar Ramses is een sterke kater in de kracht van zijn leven. En als hij een missie heeft zal hij die uitvoeren ook. Zijn missie op dat moment was uitbreken.

Na die uitbraak heeft hij ruim drie weken op straat geleefd. Ik ging elke dag kijken in zijn buurt en ik heb hem ook daadwerkelijk een paar keer gezien. Zelfs heb ik hem te eten gegeven, terwijl hij onder een auto zat en ik op een paar meter afstand bleef. Benaderen kon ik hem niet, want we waren nog verre van vrienden. Ook ben ik er weer wezen zoeken met zijn vroegere baas, mijn loopmaat, maar ook dat had geen succes.

Nog een geluk dat we die eerste succesvolle keer dat we waren gaan zoeken een paar mensen in de buurt hadden aangesproken. Zij zouden opletten of ze hem zagen. En één van hen meldde zich om te zeggen dat Ramses regelmatig door het kattenluik zijn huis binnenkwam. We vroegen hem om dat kattenluik zo af te stellen dat een kat wel naar binnen, maar niet naar buiten kan. En uiteindelijk berichtte hij me dat er een kat die aan alle beschrijvingen voldeed opgesloten zat in zijn achterkamer.

Intussen had ik alle kieren en gaten van mijn eigen huis gebarricadeerd en dichtgeschroefd. Wat me er de dagen die daarop volgden overigens niet van weerhield om steeds vreselijk ongerust te zijn of mijn huis wel stevig genoeg was om de kater binnen te houden. Desnoods zou hij gaan tunnelen om te ontsnappen.

Maar mijn huis heeft het gehouden. Houdini werd weer gewoon Ramses.

Dat is nu dus 8 weken geleden. En in de tussentijd is onze verhouding langzaamaan steeds beter geworden. De eerste weken vluchtte hij direct achter een gordijn als ik ook maar in de buurt kwam. Maar al snel kon ik hem aaien als hij aan het eten was en schoot hij net wat minder schichtig langs me heen. Een paar dagen na de jaarwisseling, nota bene nadat ik meer dan een week op vakantie was geweest, kwam hij zelfs bij me op de bank liggen en kon ik hem daar aaien. Weer later begon hij mijn schoot een goed plekje te vinden, daar lag hij steeds als ik thuis aan het werk was. De laatste dagen kon ik zelfs rekenen op een zeker aantal kopjes.

Maar hij bleef verlangen naar buiten. Dus vandaag, na acht weken binnen zitten, heb ik de plank weggehaald die met zo’n 15 schroeven voor het kattenluikgat zat. Onder grote belangstelling heb ik die er één voor één uit gehaald. En toen de plank eenmaal los zat, opende ik de deur helemaal en liep ik voor Ramses uit naar buiten. Die kwam me maar heel onwennig achterna.

Minstens twee uur heeft die onwennigheid geduurd. Hij zat op een muurtje, met zijn neus in de lucht, zijn ademhaling onrustig snel. Een paar katten kwamen kijken naar hun nieuwe buurtgenoot, waar hij ongerust naar loeide. Toen ging hij op onderzoek uit. Net voordat ik ging lopen is hij nog even bij me binnen geweest, wat me hoopvol stemt. Vrij snel daarna is hij weer weggegaan, op avontuur.

En nu maak ik me dus zorgen. Natuurlijk is het mogelijk dat hij ervoor zal kiezen om zo af en toe weer lekker warm bij mij op de bank te komen liggen, half over me heen en genietend van de aandacht en het kroelen. Maar het zit er ook best in dat hij opnieuw terug gaat naar de buurt die hij van vroeger kent, waar hij een kater van aanzien was. Hij weet immers de weg.

Die gedachten spoken rond in mijn hoofd terwijl ik mijn uurtje rennen op onbezorgd tempo afwerk. Zou hij, of zou hij niet. Hij zal vast niet. Hij zal toch wel. Had ik maar, dan was het. Als hij nou, dan doet hij. Maar als hij, dan. Ik kan altijd, al gaat hij dan. Maar ik heb het niet meer in de hand, dus het heeft geen enkele zin om scenario’s te bedenken. En dus probeer ik het te laten rusten en me te concentreren op mijn lichaam. Maar dat lichaam doet toch wel wat het moet doen, daar heeft het mij niet voor nodig.

Als ik terugkom is er nog geen Ramses te zien en er zijn ook geen brokjes weg uit zijn bakje. Mijn grootste hoop is gevestigd op de innerlijke kater, want ik heb hem natuurlijk niet met volle buik naar buiten gestuurd. Binnenkort zal hij toch wel honger krijgen.

Als ik in de namiddag terug kom van het paardrijden is het bakje wél leeg. Dat is goed nieuws, al kan ik er natuurlijk niet zeker van zijn dat het Ramses is geweest die het heeft leeggegeten. Ik houd me maar vast aan de gedachte dat hij ook een nacht is weggeweest toen zijn oude baasjes hem voor het eerst buiten lieten uit hun nieuwe huis. Toen is hij toch ook teruggekomen. Die eigenwijze kater.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018, Spreuken en sproken van alledag | 1 reactie