99 dagen tot Londen

LondonOp 22 april ga ik de marathon van Londen rennen in een persoonlijk record van onder de 2 uur en 55 minuten. Tot die tijd doe ik iedere dag verslag van mijn trainingen, mijn motivatie, blessures, het weer, de routes en meer. Wil je me nog meer motiveren? Sponsor me dan en doneer aan GOAL for the Gambia. Dan schrijf ik ook speciaal voor jou.

Bruggen als viaducten

Vrijdag 16 februari. Langzame duurloop. Nog 65 dagen tot de marathon van Londen.

Tempo 16-2Blijkbaar wil Geurt het er echt bij me inrammen. Mijn lichaam moet gewend raken aan hoge snelheid in combinatie met grote vermoeidheid. Dit keer wordt dat nog eens bemoeilijkt doordat het licht bergop gaat, en daarna weer bergaf.

Toch staat vandaag een langzame duurloop op het programma, en daar ben ik maar wát blij mee! De intervaltraining van gisteren heeft zo zijn sporen nagelaten in mijn benen. Die voelen stram en stijf. Het hardlopen gaat helemaal niet soepel en het lukt me dit keer dan ook makkelijk om langzaam te lopen.

Dat moet ik anderhalf uur volhouden, maar dat is geen probleem, hoogstens irritant. Het is een kwestie van doorlopen. Alleen staat er bij vandaag nóg iets op het schema dat ik van Geurt heb gekregen: ‘viaduct 4 x snel’. En dat ‘viaduct’ wil zeggen dat ik in mijn loop vandaag een paar flinke versnellingen moet plaatsen. Ik moet heel hard een brug op rennen, dat is 1, en er daarna direct weer zo hard mogelijk vanaf, dat is 2. Datzelfde moet ik vervolgens nog een keer doen bij een andere brug.

Negen kilometer lang kijk ik er vreselijk tegenop en vraag ik me af hoe dat nou toch moet. Want gewoon rennen gaat al stroef, hoe moet ik dan in hemelsnaam nog versnellen?! Tegen een brug omhoog nog wel!

Om van dat verschrikkelijke vooruitzicht verlost te zijn besluit ik een brug eerder als viaduct te bestempelen dan ik oorspronkelijk van plan was. En terwijl ik de helling op snel, blijkt natuurlijk dat hard lopen veel makkelijker is dan het sukkeldrafje van daarnet. Als je snelheid maakt spant je lichaam zich samen in de juiste vorm en werkt het perfect.

De snelheid van gisteren benader ik niet op die kilometer omhoog en omlaag. Maar dat is ook niet nodig. Het gaat om het gevoel. Twee kilometer verderop doe ik hetzelfde bij de volgende brug. Daar voelt het hardlopen zonodig nog lekkerder.

En dan zijn er nog wat extra kilometers om uit te lopen. Ik moet die anderhalf uur immers volmaken. Bovendien wil ik vandaag zeker 18 kilometer rennen, zodat ik alvast voorbij de zestig kilometers kom in deze week. Dan zit een weekomvang van 90 misschien nog in het vat, met de lange duurloop van zondag nog in het verschiet. Morgen valt er tussenuit, want dan ga ik op cursus met Sprettur. Daar kijk ik ook naar vooruit.

Vertrouwen geeft een opsteker

Donderdag 15 februari. Intervaltraining. Nog 66 dagen tot de marathon van Londen.

Tempo 15-2Voordat ik eraan begin lijkt 12 keer 1 kilometer in het vlijmscherpe tempo van 3:35 een vrijwel onmogelijke opdracht, al heb ik het drie weken geleden ook een keer gedaan. Zo goed voel ik me vandaag niet en het vertrouwen is de laatste tijd ver te zoeken. Maar ik blijk me voor niets zorgen te maken, want eindelijk beleef ik weer eens een echt goede dag!

Zeker, een kilometer op dat tempo is geen fluitend wandelingetje in het park. En de twee minuten pauze die ik tussen elke kilometer krijg is steeds net wat korter dan ik me zou wensen. Maar alle lessen die ik de afgelopen tijd heb geleerd slepen me vandaag glansrijk door deze test heen.

Alleen op de eerste kilometer loop ik net wat te verkrampt, ondanks wat ik mezelf steeds op het hart heb gedrukt. Maar alle andere 11 sprints gedraag ik me zo ontspannen mogelijk. Mijn heupen vooruit, mijn bovenlichaam rechtop, mijn benen in een zo perfect mogelijke lange pas. Dan is een kilometer altijd te overzien, want voor je het weet is er een halve voorbij en dan hoef je alleen nog maar de tweede helft.

Maar de belangrijkste factor is een splinternieuwe ontdekking. Naarmate de training vordert dringt het steeds helderder tot me door dat ik gerust vertrouwen mag hebben in mijn snelheid. Ook als het makkelijk en eigenlijk te langzaam aanvoelt, dan nog hoef ik niet harder. Mijn snelheid is goed, dus er is geen noodzaak om te proberen er krampachtig nog een schepje bovenop te doen. Zelfs de gedachte daaraan is irrelevant.

Die ontdekking geeft me de rust in mijn hoofd om me helemaal te concentreren op hoe ik loop. En dat resulteert uiteindelijk in 12 kilometers die bijna allemaal onder de 3:35 zijn afgelegd. Een vrijwel perfecte uitvoering. En na twee weken waarin ik het steeds net niet kon bolwerken is dat een heel mooie opsteker!

Uit zichzelf bewegende bodybuilderkuiten

Woensdag 14 februari. Rustdag. Nog 67 dagen tot de marathon van Londen.

“Menig bodybuilder zou er jaloers op zijn”, zegt Pepijn, de jongen die mijn kuit masseert. “Die hebben vaak moeite om hun kuiten zo goed gespierd te krijgen als die van jou.” Hij vertelt vervolgens iets over de drie spieren waaruit de kuit bestaat, waardoor ze op een kalfspoot gaan lijken als ze goed getraind zijn. En dat is bij mij heel keurig ontwikkeld, terwijl er bij veel andere mensen nog een soort los bobbeltje tussen blijft zitten.

Of in ieder geval iets dergelijks. Ik kan hem niet helemaal volgen, want zoveel weet ik natuurlijk niet van spieren.

Dat mijn kuiten de vergelijking kunnen doorstaan met die van bodybuilders streelt op een of andere manier heus mijn ijdelheid wel. Maar tegelijk weet ik ook dat de snelle Kenianen onder andere zo hard kunnen lopen doordat ze juist niet van zulke stevige en zware kuiten hebben. Het klinkt dus misschien leuk, maar in feite ik heb er alleen maar last van.

Aan de andere kant heb ik die goed ontwikkelde spieren in mijn kuiten nodig om mijn voorvoetlanding te kunnen maken. En die is weer heel belangrijk voor mijn hele techniek. Dus wens ik maar niet dat ik ze niet had.

Dan komt Ron binnen, de head honcho fysiotherapeut van Velofit, die me altijd masseert en die nog even bezig was met iemand anders toen ik binnenkwam. Na een hand en een innemende glimlach begint hij over de twee spieren waar de kuit uit bestaat, wat direct in tegenspraak is met de drie waar Pepijn het net over had. Uit de fysiotherapeutenpraat die daarop volgt blijkt dat ze allebei gelijk hebben, wat ik als leek natuurlijk niet helemaal begrijp.

Ron neemt mijn soepelere rechterkuit onderhanden. Dat is het makkelijke werk, zoals hij zelf zegt. En dus heb ik even de luxe dat mijn beide benen simultaan worden gemasseerd. Wat overigens ook wel een paar momenten oplevert dat het aan beide kanten flink zeer doet. Zeker als Pepijn in mijn linkerkuit de spier vindt die gisteren ook al gevoelig was, dan moet ik flink doorbijten. Maar ik houd mijn benen ontspannen. Om die pijn gaat het me nou juist. Van mij mag het best nog wat harder.

En tot slot wijst Ron zijn collega nog op wat er gebeurt als ze mijn benen even helemaal met rust laten. Dan treden fasciculaties op, zoals ze blijkbaar heten. Het zijn de onwillekeurige samentrekkingen van de spieren in mijn benen. Ik ken ze wel. Als ik in bed lig leg ik wel eens mijn handen op mijn kuiten en dan voel ik dat die vrijwel doorlopend in beweging zijn. Maar nu vraag ik me vooral af hoe je dat moeilijke woord in hemelsnaam zou moeten spellen, fasciculaties.

De twee fysiotherapeuten, de een volleerd en de ander waarschijnlijk een stagiair, kijken in ieder geval gebiologeerd toe. En ondertussen vertellen ze elkaar fysiotherapeutverhalen. Met fasciculaties heb je geen haardvuur nodig.

Als de sessie veel te snel is afgelopen neem ik me voor om in aanloop naar de marathon elke woensdag terug te komen. Met een weekomvang van meer dan honderd kilometer is dat ook helemaal geen overbodige luxe. Misschien moet ik bovendien volgende keer een heel uur reserveren. Dan kan het toch net wat grondiger gebeuren, en het is nog gezellig ook.

Mijn heupen en de gouden race van Kjeld Nuis

Dinsdag 13 februari. Loopgroeptraining. Nog 68 dagen tot de marathon van Londen.

Tempo 13-2Geurt heeft een een stuk of vijftien pilonnetjes op korte afstand achter elkaar gezet, zodat we kleine stappen moeten nemen om tussen elk trainingshoedje een voet te kunnen zetten. Daarna komen een stuk of zeven hoedjes die net wat verder uit elkaar staan. En tot slot zijn er nog eens vijf waar je behoorlijk lange passen voor moet nemen.

“Ren er maar doorheen”, zegt hij, “steeds met hetzelfde ritme. En als je bij die laatste pilonnen het idee hebt dat je veel te grote passen moet nemen om goed uit te komen, dan doe je iets verkeerd.” Zojuist heeft hij ons uitgelegd dat je je heupen iets naar voren moet brengen om je stappen groter te maken. Dan gaat dat vanzelf.

En om nóg grotere stappen te maken moet je je heupen nóg verder naar voren brengen en iets meer naar voren leunen. Dan maak je nog een extra valbeweging en worden je passen weer groter. Zo ga je dus vanzelf ook sneller, zonder dat je kracht hoeft te steken in die versnelling.

Dat is iets wat ik altijd al gebruik in mijn techniek, maar Geurt benadrukt nog eens dat we niet zozeer moeten letten op onze voeten. “Concentreer je op je heupen”, zegt hij meermaals. “Voel wat er gebeurt in je lichaam als je ze naar voren brengt.” En dat doe ik.

Het is een heel natuurlijke beweging die ik inderdaad steeds gebruik bij het hardlopen. Maar door me zo op te concentreren op dit ene onderdeel wordt me nog eens extra duidelijk hoe het grote mechaniek in elkaar steekt. Ik voel wat het naar voren drukken van mijn heupen teweeg brengt in mijn hele lichaam, terwijl die specifieke beweging anders altijd opgaat in het geheel van bewegingen die ik maak.

Nu maak ik mijn heupen tot de ster van de avond.

Als we daarna series van drie kleine snelle rondjes moeten lopen, met korte pauzes en een lange uitloop na de laatste ronde, komt heel goed van pas wat ik zojuist heb gemerkt. Vooral bij die lange uitloop concentreer ik me weer op mijn heupen, gecombineerd met het ontspannen van mijn schouders. Het maakt het lopen makkelijk, ook al hebben we er al een paar rondjes op zitten.

Een goede techniek helpt juist als je er doorheen zit. Zeker als je moe bent kan het je redding zijn. Dat heeft vanmiddag ook Bart Veldkamp me nog verteld toen hij de gouden race op de 1500 meter van Kjeld Nuis analyseerde. Nuis was vrijwel de enige die de hele race door zijn techniek op orde hield. Hij bleef in de goede houding en juist daardoor kon hij door de verzuring heen zijn snelheid vasthouden.

En vooral van de techniek moet ik het hebben. Ik ben intussen 49, dus de kracht gaat er langzaam maar zeker vanaf. Toch moet ik die mannen van halverwege de 30 of jonger bijhouden. Dus wat ik kwijt raak door mijn leeftijd moet ik helemaal compenseren met een zo soepel mogelijke tred die zo min mogelijk moeite kost. En dan is het nog net iets fijner afstellen van zo’n belangrijk onderdeel als mijn heupen meer dan welkom.

Het is maar een spelletje

Maandag 12 februari. Vaartspel. Nog 69 dagen tot de marathon van Londen.

Tempo 12-2Het begint al in de eerste kilometer, met het meisje dat uit een zijstraat komt en precies in mijn kielzog aansluit. Dat vind ik heel bewonderenswaardig van haar. Want al is het tempo waarin ik loop voor mij comfortabel, het is niet voor iedereen weggelegd. Even houdt ze me ook keurig bij, maar dan is ze niet opgewassen tegen mijn kleine en vrijwel onmerkbare versnelling. Het spel is begonnen.

Even later hebben de twee fietsers al een tijdje voor me gereden als ik me realiseer dat ze het perfecte doelwit zijn. Ik versnel en langzaam komen ze dichterbij. Pas over een paar honderd meter zullen ze de weg moeten oversteken, waar ik gewoon aan deze kant blijf, dus ik heb nog meer dan genoeg tijd om ze bij te halen.

Langzaam maar gestaag maak ik de afstand tussen mij en hen kleiner en kleiner. En als ik dan eindelijk de aansluiting maak, versnel ik nog een beetje, want er is weinig leukers dan de verbaasde en ietwat beteuterde uitdrukkingen te zien verschijnen op gezichten van fietsers als ik ze voorbij loop.

Op het volgende rechte stuk van mijn etappe doe ik hetzelfde met een hardloper die zo’n honderd meter voor me uit rent. Mijn versnelling doet mij geen pijn, maar brengt me heel snel bij hem. Het enige verschil met de fietsers is dat ik inhoud voordat ik hem voorbij ga. Want ik gun hem de fijne gedachte niet, hoe misplaatst ook, dat ik het tempo waarin ik hem inhaal niet kan volhouden. Het snelheidsverschil tussen ons is sowieso aanzienlijk.

Op een van de laatste stukken ben ik net te laat om twee meisjes op hun fiets bij te halen. Ze zijn nog maar een meter of tien van me verwijderd en ik hoop dat ze, net als ik, na de sluis het fietspad langs het kanaal zullen nemen. Dan krijg ik alle kans om ze te verschalken en wil ik achter ze gaan rennen om me de laatste paar honderd meter mee te laten sleuren. Maar helaas, ze rijden rechtdoor en dus laat ik ze gaan.

Het vaartspel van vandaag wordt zo een zorgeloze exercitie, die me weer helemaal oplaadt voor de komende week. Dat had ik even nodig.

Dat doet de wind

Zondag 11 februari. Lange duurloop. Nog 70 dagen tot de marathon van Londen.

WindAls ik thuiskom van mijn lange duurloop ben ik helemaal afgepeigerd. Het had een makkelijke training moeten worden, een mooie kans om lekker uit te rusten van alle vermoeienissen, terwijl ik door de weilanden en langs het kanaal loop. Maar de wind is spelbreker.

De wind laat me geen moment met rust. De ene keer waait hij vanaf de zijkant, zodat ik mezelf continu moet corrigeren. Dan weer krijg ik hem hele stukken pal van voren in mijn smoel. In het open land kan ik soms tegen hem in leunen. Maar dat klinkt comfortabeler dan het is, want ondertussen moet ik veel meer kracht zetten om vooruit te komen dan de bedoeling is.

In de rug heb ik hem ook een heel stuk. Dat is fijner, zou je zeggen, heerlijk wind mee. Maar lopen is geen fietsen. Harde wind in mijn rug betekent dat ik moet afremmen en daardoor komen de klappen op mijn bovenbenen veel harder aan.

En dan zijn er nog de stukken waar alle vormen door elkaar heen waaien, door de turbulentie die tussen de gebouwen heen speelt. Dan valt er helemaal geen pijl te trekken op waar hij vandaan komt, het ene moment van voren, dan even helemaal geen wind, dan van de zijkant en dan weer heel ergens anders vandaan. Langzaam maar zeker sloopt het me.

Bij de lange duurloop heeft de wind veel impact. Omdat je rustig loopt en minder op spanning staat laat je makkelijker met je sollen. Tegelijk kan die wind heel lang met je sollen, omdat je zo ver moet. Er zijn maar een paar gelegenheden waarbij wind nóg erger is. Eén daarvan is de snelle duurloop. Als je dan wind tegen hebt is het vrijwel onmogelijk om je snelheid te halen. En uit meewind krijg je vervolgens niet zoveel voordeel dat je het verlies kunt compenseren. Dus het is alsnog maar goed dat deze wind er gisteren niet was.

Maar het allerergste is toch wel harde wind bij een wedstrijd, als je een recordpoging wilt wagen. Met veel wind, uit welke hoek hij ook waait, kun je dat record gevoeglijk vergeten.

Van positief naar negatief

Zaterdag 10 februari. Snelle duurloop. Nog 71 dagen tot de marathon van Londen.

Tempo 10-2Geprezen zij de wijsheid van Geurt. Dat denk ik als ik op marathontempo door het Maximapark dender terwijl ik de ene na de andere sukkelende draver voorbij zoef. De snelheid die ik donderdag niet haalde voelt nu heel comfortabel aan. Ik moet me zelfs inhouden.

En dat komt dus doordat Geurt twee dagen na de testloop deze snelle duurloop heeft ingepland. Ook nu moet ik marathontempo aanhouden. Maar nu hoef ik geen rekening te houden met strategisch of tactisch geneuzel over wat ik moet overhouden en hoe lang ik moet lopen. Nu is het tempo mijn opdracht en die opdracht moet ik gewoon uitvoeren.

Onder die dwang blijkt dus dat ik me er helemaal niet voor over de kop hoef te lopen.

Vanochtend vervloekte ik Geurt nog, omdat hij me twee dagen na de testloop met alweer zo’n snelle training heeft opgezadeld. En was de testloop nog 16 kilometer, nu moet ik twintig kilometer volmaken. Dus dit is de zwaardere dag.

Maar het loopt gesmeerd en ik ben blij dat ik loop. Daarbij is het een geluk dat het vandaag nauwelijks waait.

Jammer genoeg komt er na 10 kilometer flink de klad in dat positieve gevoel. Dan moet ik temporiseren en komen er soms twintig seconden per kilometer bovenop. Het tempo volhouden lukt gewoon niet meer. Ik kan alleen maar aanklampen en zo goed mogelijk op mijn techniek en ontspanning blijven letten. Gewoon doorlopen dus, ook al krijg ik een vreselijk positieve split om mijn oren.

Terwijl ik zo aan het worstelen ben troost ik me met de gedachte dat het in deze fase van de training ook helemaal niet gesmeerd hoort te lopen. Ik train er juist voor om beter te worden, dus over een paar weken zal het sneller gaan. En bovenop die verbetering zal het geweldige contrast met deze week me nog eens een extra boost geven. Dus dit is één en al investering in de toekomst.

Ik ga voor de negatieve split in mijn training.

Even klagen!

Vrijdag 9 februari. Korte duurloop. Nog 72 dagen tot de marathon van Londen.

Ramses uitgeteld op de bankIk heb er de pest in! Het is een lange drukke week geweest op het werk. Ik heb net twee kruiwagens mest uit een wei gehaald, met kuil gesleept en water gepompt in een snijdend koude wind. Ben ik eindelijk thuis, moet ik boodschappen gaan doen. En ik moet gaan uitkijken naar Ramses, die sinds dinsdag weer spoorloos is.

Sowieso zorgt dat laatste er de afgelopen dagen voor dat ik een pesthumeur heb. Want het zag er zo goed uit nadat hij een paar keer thuis was gekomen van zijn nachtelijke avonturen en op de bank had liggen maffen. En die pest wordt nog verergerd doordat ik helemaal niet weet waar hij is. Vandaag is hij opnieuw nergens te bekennen als ik op mijn fiets rondjes rijd in de buurt waar ik hem de vorige twee keren heb gevonden, terwijl ik de donkerste plekken verlicht met mijn hoofdlamp.

En als ik dan thuiskom met een volle boodschappentas en zonder Ramses mag ik niet eens eten gaan koken. Ik moet eerst nog gaan hardlopen. Het is maar een uurtje op een makkelijk tempo, maar op dit moment is de berg van gecumuleerde dingen die ik doen moet bijna te hoog om daar ook nog eens hardlopen bovenop te stapelen.

Hardlopen moet altijd maar uitkomen. Hardlopen moet er altijd tussendoor. Het is een constant moeten. Wat er ook aan de hand is, waar ik ook heen ga, wat ik ook gedaan heb, hoe ik me ook voel, hoe dan ook, ik moet ook nog even hardlopen.

Daar kies ik natuurlijk zelf voor. Want er is verder niemand die me dwingt. Niemand drukt een pistool tegen mijn hoofd en roept dat ik moet gaan rennen. Ik doe het helemaal zelf. Alleen maakt dat de druk niet kleiner. Dat maakt hem misschien zelfs groter. Want ik moet niet alleen gaan rennen, ik moet er ook nog zelf voor zorgen dat ik ga rennen. Zelfs dat kan ik niet aan iemand anders overlaten.

Bovendien sneeuwt het!

En als ik dan heb gerend – want dat doe ik natuurlijk gewoon, en als ik eenmaal bezig ben gaat het lekker op een mooi constant tempo – moet ik verdomme ook nog dit stukje schrijven!

Mag dan nu dan eindelijk het weekend beginnen!?

Pijn die ik nog niet ken

Donderdag 8 februari. Testloop. Nog 73 dagen tot de marathon van Londen.

tempo 8-2Als ik thuiskom van mijn werk start ik even snel de computer op om te kijken hoeveel pauze ik tussen de kilometers mag nemen bij mijn intervaltraining. Maar als ik het schema open, blijkt dat er helemaal geen intervaltraining op het programma staat voor vandaag. Vandaag is het tijd voor mijn eerste testloop. Zestien kilometer op marathontempo.

Dat betekent dat ik heel snel een mentale omschakeling moet maken, want de lichamelijke inspanning die ik ga leveren is van een heel andere orde dan die waarop ik me heb voorbereid.

Ik zet de gedachte aan de interval resoluut uit mijn hoofd en breng me voor de geest wat een testloop nou is en wat ik dus van mezelf moet verwachten. Wat ga ik in het komende ruime uur precies testen? Dat is niet of ik 16 kilometer op marathontempo kan lopen. Dat lukt me wel als ik een beetje mijn best doe.

Wat ik werkelijk wil testen is of ik dat tempo ook redelijk makkelijk kan volhouden, en of ik na die zestien kilometer het gevoel heb dat ik zonder problemen nog een kilometer of tien door kan gaan. Eigenlijk moet ik de testloop fluitend kunnen rennen.

Dus doe ik, eenmaal omgekleed en buiten op straat, een paar steigerungen om mijn hartslag steeds even omhoog te jagen. Ook dat is nog steeds mentale voorbereiding op wat ik ga doen. Ik ga rennen op het hoogste tempo dat ik langdurig kan volhouden.

Als ik een paar kilometer onderweg ben blijkt dat ik het benodigde tempo vandaag niet kan ontwikkelen zonder al te hard mijn best te doen. Het gevoel dat mijn tong met een snelheid 4 minuten per kilometer na zestien kilometer op mijn knieën zal hangen weerhoudt me ervan om echt aan te zetten.

Toch is mijn hele schema ingesteld op dat tempo, wat me over een hele marathon onder de 2:50 zou brengen, een prestatie die ik maar wat graag wil leveren. Alleen is een hele marathon lopen op een tempo van 4 minuut per kilometer een heel zware opgave. Daar doordringt deze testloop me nog eens goed van.

Als ik met het toch nog keurige tempo van 4:05 per minuut de laatste kilometers afleg, komt er een uitspraak van Geurt bij me boven drijven. Die zegt regelmatig dat er niets zwaarder is dan een hele marathon volle bak lopen. En deze uitspraak versmelt in mijn hoofd met wat ik weet over het werelduurrecord op de fiets van Bradley Wiggins: een uur lang volle bak fietsen levert een bijna ondraaglijke pijn op.

Dan realiseer ik me heel helder dat het tempo waarop ik nu loop me bij de marathon een pijn gaat opleveren die ik nog niet ken. En hoe harder ik wil, hoe ondraaglijker de pijn zal zijn.

Ik heb nog iets meer dan tien weken om uit te vinden hoeveel ik daarvan kan verdragen.

Perfectie zou ik wel willen

Woensdag 7 februari. Rustdag. Nog 74 dagen tot de marathon van Londen.

Net als vrijwel iedereen die begint met lopen had ik bij mijn eerste marathon nauwelijks nagedacht over mijn techniek, landde ik gedachteloos op mijn hak en besteedde ik geen aandacht aan mijn houding.

Maar dat is door de jaren heen nogal veranderd. De eerste aanzet die ik daarvoor maakte, toch zeker zo’n 13 jaar geleden, was eigenlijk het vastzetten van mijn rug, waar ik in die tijd steeds maar weer doorheen ging. Daar had ik steeds veel pijn en ongemak van, waardoor ik het me gewoon niet meer kon permitteren om er geen aandacht aan te besteden. Dus spande ik tijdens het lopen alle spieren aan die in mijn onderrug en buik zaten. Sindsdien vangen die de klappen op, wat tegenwoordig vaak een ‘stevige core’ genoemd wordt. Toen heeft me dat even wat spierpijn opgeleverd, maar last van mijn rug heb ik niet meer gehad.

Bovendien maakte deze wijziging alle veranderingen mogelijk die ik later heb doorgevoerd. Zo raakte ik in 2012 onder invloed van natural running. Aanvankelijk heel voorzichtig. Ik kocht een paar schoenen die wat minder demping op de hak hadden, omdat ik het gevoel had dat die demping me meer in de weg zat dan dat ik er voordeel van had. Wat kan daar mis gaan, zou je zeggen.

Maar zo’n andere schoen heeft een geweldige impact op hoe je rent. Dat moest ik weer helemaal opnieuw leren, hoe gek dat ook klinkt. Ik wist nauwelijks meer hoe ik mijn voeten moest neerzetten. Ik begreep het gewoon niet meer. Ik heb kilometers lopen worstelen, heel bewust van mijn hoe ik liep, terwijl ik steeds maar weer iets anders probeerde. Zo loopt het wel goed. Nee, toch niet. Iets anders proberen. Ja. Hee, ik loop weer anders. Wat doe ik nu? Ik kreeg maar niet uitgevogeld wat ik moest doen.

Daarvoor had ik een paar clinics nodig, beide van David van der Linden van Slim Lopen. De eerste was gewoon een workshop bij een sportwinkel in Utrecht. Van David leerde ik dat je de voet eigenlijk plat moet neerzetten en dat je niet hoeft af te zetten met je voorvoet, iets waar ik zelf nooit op was gekokmen. Daaruit vloeide direct voort dat je de voet recht onder je neerzet. Vervolgens val je eigenlijk gewoon voorover en vang je jezelf op, waardoor je snelheid maakt.

Dat is de pure natural running-techniek. Na nog een cursus van David van der Linden in de bossen bij Mierlo kocht ik geheel platte schoenen en daar heb ik ook een paar marathons op gelopen, al moet ik zeggen dat het daarop nooit sneller is gegaan dan die in Utrecht aan het begin van 2012. Records heb ik er dus niet op gebroken.

Maar het was wel een perfecte manier om me heel bewust te maken van mijn techniek. Alles moet op dat soort schoenen namelijk kloppen, anders komen de klappen veel te hard aan. Want je hebt geen demping in de schoenen. Je voelt alles. En dat was weer iets dat ik meenam naar de voorlopig laatste fase in mijn ontwikkeling.

Sinds ik bij Geurt ben gaan trainen ben ik veel sterker geworden. Ik heb veel meer kracht in bovenbenen, kuiten en voeten. En daardoor kon ik ook steeds meer op mijn voorvoet gaan lopen. Met die voorvoet vang ik tegenwoordig de klappen op. Ik klauw ze net iets voor me in de grond, waarna ik er pas op ga leunen als ik er met mijn zwaartepunt boven ben. En dan lanceren ze me direct voor de volgende stap.

Zo voelt rennen rennen heel natuurlijk aan en vlieg ik met zo min mogelijk inspanning over de weg. Mijn voorvoet lanceert mijn hele lichaam, mijn knie gaat omhoog waardoor het onderbeen als vanzelf ontspannen naar voren gaat, precies naar de juiste plek net voor me. En als die voorvoet eerst onderzoekend de grond raakt is de hele keten van mijn lichaam, van die voorvoet via de hiel, kuiten, bovenbenen, dijen, buik, rug naar de armen, voorbereid op de volgende sprong in de loop, alles precies in balans en geformeerd rond de core, waar alle verandering al die jaren geleden dus mee is begonnen.

Zo heb ik mijn lichaam in de loop van de tijd veranderd in een geoliede renmachine, waar alles op zijn eigen spanning staat, zijn eigen taken uitvoert, zijn eigen banen beschrijft en zo bijdraagt aan een soepele tred. Al is er natuurlijk altijd wel een onderdeeltje dat net iets beter kan worden afgesteld.

Hebben en overhouden

Dinsdag 6 februari. Loopgroeptraining. Nog 75 dagen tot de marathon van Londen.

tempo 6-2Geurt wil vandaag wat meer snelheid in de training brengen, zeker omdat Wijnand komend weekend uitkomt bij het Nederlands kampioenschap op de 10 kilometer in Schoorl. Maar het vriest, dus mag het ook weer niet al te hard gaan. Het compromis dat daar uitrolt is 5 maal 5 keer 200 meter in ongeveer 40 seconden. 30 seconden pauze binnen de series en 3 minuten of minder er tussenin.

Zelf hobbel ik achteraan mee in het kleine groepje. Ik verlies nog net de aansluiting niet. Want weer doe ik precies wat Geurt me opdraagt en meng ik me niet in de onderlinge wedstrijdjes die hier en daar toch ontstaan. Het moet vlot gaan maar vooral op souplesse. “Je moet het gevoel hebben dat je er nog makkelijk 200 meter achteraan kunt plakken”, zo luidt het advies. En dat zou me wel lukken. Zelfs 800 meter zou nog wel gaan.

Maar ik ben blij dat dat niet hoeft. Want die snelle kilometers moet ik donderdag weer gaan lopen en dit keer wil ik daar graag wat kracht voor overhouden.

Gewend aan racen

Maandag 5 februari. Herstelloop. Nog 76 dagen tot de marathon van Londen

Medaille Asselronde 2018De wedstrijd van gisteren was natuurlijk helemaal geen echte wedstrijd. Geurt had ons gezegd dat we vooral niet op marathontempo moesten gaan lopen. In deze fase van onze training moeten we dit soort evenementen gebruiken om onszelf opdrachtjes te geven en die keurig uit te voeren. Bijvoorbeeld de tweede helft harder lopen dan de eerste, of iedere 5 kilometer ietsjes sneller gaan.

Sinds ik me donderdag zo stuk beet op het intervallen, heb ik me voorgenomen beter naar Geurt te luisteren en soms zelfs gewoon te doen wat hij zegt. Zeker nu ik minstens 100 trainingskilometers per week maak lijkt me dat een goed idee. En dus had ik me gisteren voorgenomen om te starten op een tempo van 4:30 per kilometer, waarna ik er dan iedere vijf kilometer 5 seconden vanaf zou halen. En dan aan het eind natuurlijk alle remmen los.

En zowaar heb ik me ook nog redelijk aan dat plan gehouden, al startte ik net wat sneller. De eerste 10 kilometer heb ik in ieder geval lekker rustig gelopen, zonder me op enige manier in te spannen. Pas vanaf ongeveer kilometer 12 ging ik net ietsje beter mijn best doen, vooral vanwege het groepje met Menzis- en politiejongens dat me inhaalde en dat ik liever niet helemaal uit het oog verloor.

Vanaf 15 kilometer ging het dan weer wat langzamer, maar dat kwam vooral door de berg en de wind. De intensiteit ging omhoog, en daar gaat het toch om. En op het laatst, samen met mijn loopmaat die na wat onderzoek William blijkt te heten, gingen inderdaad alle remmen los.

Deze opbouw van mijn race kan mogelijk verklaren hoe het kon gebeuren dat ik relatief makkelijk iedereen voorbij liep in die laatste kilometers, hoewel uit de video’s van de finish blijkt dat nog behoorlijk wat lopers goed konden meekomen.

Het kan namelijk zijn dat ik aan het einde van de wedstrijd, toen ik er dan toch nog een race van maakte, simpelweg niet tussen renners van mijn eigen klasse liep, William daargelaten die zichzelf vermoedelijk onderschat.

Sowieso was ik al gestart in startvak B, aangezien ik mijn startnummer had overgenomen van iemand anders, en bovendien had ik de eerste tien kilometer lopen flierefluiten. Daardoor had ik de mensen laten gaan waar ik normaal gesproken tussen hoor te lopen. Het tegenargument dat de mensen waar ik tussen kwam te lopen me toch nog konden bijhouden kan ik weerleggen door erop te wijzen dat ik er een zware trainingsweek op heb zitten. Anders was ik nog frisser geweest en had ik ze mijn hielen laten zien.

Het is een mogelijkheid.

Aan de andere kant wordt de Asselronde veel gebruikt in de training naar een marathon. Dus lopen er daar veel mensen met volle benen van het trainen, die de race, net als ik, precies even anders aanvallen dan een reguliere wedstrijd.

En zo is mijn verklaring nog sneller ondergraven dan hij was opgebouwd, en stort hij direct volledig in elkaar. Het enige wat me overblijft om te zeggen over de uitslag is dat ik met relatief weinig moeite toch nog ben uitgekomen op plaats 155 van de 2618 lopers. Dat zullen veel mensen best goed vinden. En bovendien heb ik lekker gelopen.

Maar als ik echt iets waardevols wil zeggen over mijn plaats in een rangschikking zal ik toch gewoon mijn best moeten doen. Wat ik hierboven bazel zijn dus alleen maar hersenspinsels van iemand die er aan gewend is dat wedstrijden echte wedstrijden zijn, zonder terughoudendheid, tot op het bot en met het mes op tafel.

Dit voelt gewoon onwennig.

Maar al was het dan geen echte wedstrijd en al heb ik me niet helemaal leeg gelopen, het was ook geen normale training! Het ging over de afstand van een lange duurloop, maar dan een stuk sneller. In feite was het een duurloop en vaartspel in één.

En dus hoef ik vandaag dat vaartspel niet te spelen. Vandaag loop ik gewoon rustig mijn rondje om de spieren wat los te gooien. Dan kan morgen de week weer losbarsten.

Loopmaat voor één dag

Zondag 4 februari. Wedstrijd over 25 km. Nog 77 dagen tot de marathon van Londen

Start Asselronde 2018Al na vijf kilometer verlies ik mijn loopmaat van vandaag. Robert-Jan moet afhaken met een blessure aan zijn enkel. Daar had hij al over verteld in het startvak. Bijna was hij niet eens gekomen vanwege een paar pijntjes, één in de kuit en een ander in de enkel. En na vijf kilometer blijkt dus dat hij vandaag inderdaad beter thuis was gebleven.

Gelukkig vind ik na ongeveer 15 kilometer een nieuwe partner. Die komt me voorbij als de laatste klim is begonnen en we de wind ineens pal tegen hebben. Daar krijgt iedereen het moeilijk, en dan ligt het er maar aan hoe je je pijn kunt verbijten.

Zojuist heb ik al twee Menzis-jongens opgeraapt. Die waren me rond de 12 kilometer voorbij komen draven in het kielzog van een aantal politielopers, die ik nu in de verte nog zie lopen. Maar ook ik heb het nu moeilijk in mijn eentje. En juist dan komt hij voorbij. Als hij op gelijke hoogte komt steek ik nog mijn duim omhoog, als teken dat ik zijn tempo bewonder en dat hij vooral zo door moet gaan. Maar ik blijk te kunnen aanhaken, waarbij het me heel goed van pas komt dat ik in de afgelopen weken het vaartspel heb gespeeld. Even niet je eigen tempo lopen, maar aanzetten.

Samen rennen we naar boven en houden we de snelheid er redelijk in. Vanuit het achterveld komt nog een loper ons versterken, maar die blijft voornamelijk achter ons rennen. Eenmaal bovenop de berg, zo rond de 18 kilometer, lijkt mijn kompaan het even moeilijk te hebben. Zelf zet ik vol goede moed de pas er in, waardoor ik een gaatje sla. Maar ik moedig hem aan: “Kom op, vanaf hier is het alleen nog naar beneden!” Hij heeft me naar boven gesleurd met zijn krachtige passen, dus ik ben niet van plan hem hier achter te laten. Hij reageert op mijn roepen en haalt me weer bij. Hij komt zelfs voor me lopen. De andere loper kan het gaatje niet overbruggen en we zijn weer alleen.

Door het tempo dat we aanhouden komt het politiegroepje steeds dichterbij. We maken zelfs de aansluiting, en op dat moment lijkt het er even op dat mijn loopmaat de luwte van het groepje wel fijn vindt en zich er in wil nestelen. Zelf loop ik naar de kop, waar ik hoor hoe moeilijk ze het er hebben. “Nee, dit gaat te snel”, hoor ik al snel. Ze laten lopen en ik ben weer in mijn eentje. En in mijn eentje krijg ik het opnieuw zwaar.

Maar gelukkig meldt mijn medestander zich al snel. Hij heeft de politie gelaten voor wat die is en we denderen naar beneden, waarbij we het ene groepje na het andere oprollen. Sommigen proberen in onze slipstream mee te gaan, waardoor we af en toe de kop vormen van een wat groter groepje. Maar uiteindelijk blijven we opnieuw alleen over.

Op de laatste driehonderd meter, als we de streep al zien liggen, moet ik hem een paar meter geven. Maar we hebben er een mooie loop op zitten, en daar feliciteren we elkaar na de finish hartelijk mee.

Precies dit soort onverwachte gebeurtenissen zorgen ervoor dat het steeds weer spannend is om naar wedstrijden te gaan. En als ik thuis kom ligt er ook nog een kater op de bank. Het kan niet mooier.

Eigenwijze Katerloop

Zaterdag 3 februari. Korte duurloop. Nog 78 dagen tot de marathon van Londen

Ramses is buitenVandaag zijn mijn gedachten tijdens het hardlopen vooral bij mijn kater, Ramses, ook wel Houdini genoemd. Vanochtend heb ik hem buiten gelaten.

Dat is voor het eerst nadat hij acht weken binnen heeft gezeten. Voorafgaand aan die periode liet hij vooral zichzelf buiten. Eén keer, toen hij net een dag of vier bij mij was, maakte hij een deur open en wurmde hij zich vervolgens door het wc-raam. Het was natuurlijk heel dom van mij dat ik dat raam op een kier had laten staan, maar eigenlijk had ik er niet eens aan gedacht om het te sluiten.

De eerste dagen die daarop volgden zat hij nog in de buurt. Hij is zelfs nog een keer binnen geweest om te eten. Maar daarna vond hij zijn weg naar een buurt waar hij eerder had gewoond, niet zo heel ver hier vandaan. Vanuit zijn vroegere huis kregen we foto’s van hem toegestuurd. Daarom ben ik daar gaan zoeken met zijn oude baasjes, een renmaat uit mijn loopgroep en zijn vrouw. Zij moesten hem wegdoen omdat hij jaloers werd op hun dochter, die hij een klap verkocht als hij de kans kreeg.

Hij bleek inderdaad in die buurt rond te hangen. Desgevraagd hadden verschillende mensen hem gesignaleerd, zonnend bij de fietsenstalling of rondsluipend door de bosjes. En net toen we op het punt stonden het op te geven en naar huis te gaan, kwam er een oude buurman aan fietsen met het nieuws dat hij Ramses zojuist even verderop onder een auto had zien zitten. En daar zat hij inderdaad.

Vervolgens heb ik hem toch zeker weer drie dagen binnen kunnen houden. Want alweer had ik hem onderschat. Dit keer brak hij door een hele stellage heen die ik voor het kattenluik had gebouwd. Die stellage bestond uit een grote plank, een zware computer, een volle koffer en nog meer zware dingen. Het kattenluik zelf zat bovendien op slot. Maar Ramses is een sterke kater in de kracht van zijn leven. En als hij een missie heeft zal hij die uitvoeren ook. Zijn missie op dat moment was uitbreken.

Na die uitbraak heeft hij ruim drie weken op straat geleefd. Ik ging elke dag kijken in zijn buurt en ik heb hem ook daadwerkelijk een paar keer gezien. Zelfs heb ik hem te eten gegeven, terwijl hij onder een auto zat en ik op een paar meter afstand bleef. Benaderen kon ik hem niet, want we waren nog verre van vrienden. Ook ben ik er weer wezen zoeken met zijn vroegere baas, mijn loopmaat, maar ook dat had geen succes.

Nog een geluk dat we die eerste succesvolle keer dat we waren gaan zoeken een paar mensen in de buurt hadden aangesproken. Zij zouden opletten of ze hem zagen. En één van hen meldde zich om te zeggen dat Ramses regelmatig door het kattenluik zijn huis binnenkwam. We vroegen hem om dat kattenluik zo af te stellen dat een kat wel naar binnen, maar niet naar buiten kan. En uiteindelijk berichtte hij me dat er een kat die aan alle beschrijvingen voldeed opgesloten zat in zijn achterkamer.

Intussen had ik alle kieren en gaten van mijn eigen huis gebarricadeerd en dichtgeschroefd. Wat me er de dagen die daarop volgden overigens niet van weerhield om steeds vreselijk ongerust te zijn of mijn huis wel stevig genoeg was om de kater binnen te houden. Desnoods zou hij gaan tunnelen om te ontsnappen.

Maar mijn huis heeft het gehouden. Houdini werd weer gewoon Ramses.

Dat is nu dus 8 weken geleden. En in de tussentijd is onze verhouding langzaamaan steeds beter geworden. De eerste weken vluchtte hij direct achter een gordijn als ik ook maar in de buurt kwam. Maar al snel kon ik hem aaien als hij aan het eten was en schoot hij net wat minder schichtig langs me heen. Een paar dagen na de jaarwisseling, nota bene nadat ik meer dan een week op vakantie was geweest, kwam hij zelfs bij me op de bank liggen en kon ik hem daar aaien. Weer later begon hij mijn schoot een goed plekje te vinden, daar lag hij steeds als ik thuis aan het werk was. De laatste dagen kon ik zelfs rekenen op een zeker aantal kopjes.

Maar hij bleef verlangen naar buiten. Dus vandaag, na acht weken binnen zitten, heb ik de plank weggehaald die met zo’n 15 schroeven voor het kattenluikgat zat. Onder grote belangstelling heb ik die er één voor één uit gehaald. En toen de plank eenmaal los zat, opende ik de deur helemaal en liep ik voor Ramses uit naar buiten. Die kwam me maar heel onwennig achterna.

Minstens twee uur heeft die onwennigheid geduurd. Hij zat op een muurtje, met zijn neus in de lucht, zijn ademhaling onrustig snel. Een paar katten kwamen kijken naar hun nieuwe buurtgenoot, waar hij ongerust naar loeide. Toen ging hij op onderzoek uit. Net voordat ik ging lopen is hij nog even bij me binnen geweest, wat me hoopvol stemt. Vrij snel daarna is hij weer weggegaan, op avontuur.

En nu maak ik me dus zorgen. Natuurlijk is het mogelijk dat hij ervoor zal kiezen om zo af en toe weer lekker warm bij mij op de bank te komen liggen, half over me heen en genietend van de aandacht en het kroelen. Maar het zit er ook best in dat hij opnieuw terug gaat naar de buurt die hij van vroeger kent, waar hij een kater van aanzien was. Hij weet immers de weg.

Die gedachten spoken rond in mijn hoofd terwijl ik mijn uurtje rennen op onbezorgd tempo afwerk. Zou hij, of zou hij niet. Hij zal vast niet. Hij zal toch wel. Had ik maar, dan was het. Als hij nou, dan doet hij. Maar als hij, dan. Ik kan altijd, al gaat hij dan. Maar ik heb het niet meer in de hand, dus het heeft geen enkele zin om scenario’s te bedenken. En dus probeer ik het te laten rusten en me te concentreren op mijn lichaam. Maar dat lichaam doet toch wel wat het moet doen, daar heeft het mij niet voor nodig.

Als ik terugkom is er nog geen Ramses te zien en er zijn ook geen brokjes weg uit zijn bakje. Mijn grootste hoop is gevestigd op de innerlijke kater, want ik heb hem natuurlijk niet met volle buik naar buiten gestuurd. Binnenkort zal hij toch wel honger krijgen.

Als ik in de namiddag terug kom van het paardrijden is het bakje wél leeg. Dat is goed nieuws, al kan ik er natuurlijk niet zeker van zijn dat het Ramses is geweest die het heeft leeggegeten. Ik houd me maar vast aan de gedachte dat hij ook een nacht is weggeweest toen zijn oude baasjes hem voor het eerst buiten lieten uit hun nieuwe huis. Toen is hij toch ook teruggekomen. Die eigenwijze kater.

Een moment van zwakte

Vrijdag 2 februari. Rustige duurloop. Nog 79 dagen tot de marathon van Londen

Tempo 2-2Het is een van die dagen waarop ik perfect kan rechtvaardigen dat ik niet ga rennen. Het lukt me zelfs om het zo te draaien dat mijn spijbelen voordelig is voor mijn training.

Geurt heeft zelf gezegd dat ik niet elke week ten koste van alles alle zes de trainingen hoef af te werken. Zolang de loopgroeptraining, de lange duurloop en de intervaltraining er maar niet bij inschieten, mag ik af en toe best één van de andere trainingen laten schieten, als dat zo uitkomt.

En vandaag komt het uit. Doordat ik gisteren vrij was, is er veel werk blijven liggen dat vandaag gedaan moet worden. Dus ben ik vanaf het moment dat de wekker gaat steeds aan het rennen om alle afspraken te halen en al het werk af te krijgen. Tegen de tijd dat ik in mijn auto stap ben ik geestelijk alvast doodmoe.

Maar in die auto rijd ik dan nog niet naar huis. Ik rijd naar de paarden om ze eten te geven en mest te ruimen. Dat laatste kan soms best rustgevend zijn, maar niet als het zoveel heeft geregend als de laatste tijd. De wei is op veel plekken veranderd in een modderpoel waar ik de volle kruiwagen nauwelijks doorheen getrokken krijg. En hoewel de ponnies zelf voor de nodige entertainment zorgen, is de lol er volkomen af tegen de tijd dat ik de tweede lading leegkieper op de mesthoop. En als ik rond half zeven eindelijk van de auto naar huis loop kan ik alleen nog maar sloffen. Ook in mijn lichaam zit geen greintje energie meer.

Terwijl ik zo naar huis loop probeer ik me voor te bereiden op het rennen dat ik zo meteen moet gaan doen. Maar als ik daar aan denk komt ook de vermoeidheid van gisteren nog eens bij me terug. Ik herinner me hoe fysiek afgepeigerd ik op de bank zat nadat ik had gedoucht. Dan weet ik mezelf er bijna van te overtuigen dat het beter is om nu te rusten.

Als ik gisteren zo vermoeid was, dan moet er bijna wel iets mis zijn. Sowieso hoort er rust in een training te zitten en die rust moet ik pakken als ik denk dat ik hem nodig heb. Me over de kop lopen heeft geen zin, dan kom ik mezelf alleen maar harder tegen. Nu rusten betekent dat ik er morgen weer frisser tegenaan kan. Dan kan ik de hele week weer met frisse moed hardlopen. En Geurt heeft toch zelf gezegd dat het best kon.

Eenmaal onderweg heb ik er, in tegenstelling tot vorige week, helemaal geen moeite mee om het tempo laag te houden. Ik moet me zelfs wat oppeppen als blijkt dat ik over de eerste kilometer maar liefst zes minuten heb gedaan. Maar daarna komt het ritme er in en loop ik lekker. Ik ben er tevreden mee dat ik mijn zwakke moment heb overwonnen. In de marathon zullen die momenten er ook zijn en ook die moet ik doorkomen. Zo maak ik mezelf weer wat harder voor de wedstrijd.

Maar me echt inspannen doe ik niet. Ik kijk wel uit. En als ik thuis kom trakteer ik mezelf op een portie pasta waar je eng van wordt.

Te veel gevraagd

Donderdag 1 februari. Intervaltraining 2x(2x3000m) Nog 80 dagen tot de marathon van Londen

Tempo 1-2Dit is gekkenwerk, zeg ik bij mezelf als ik naar mijn startstreep loop. Ik moet vandaag vier maal drie kilometer rennen in 3:45 per kilometer. Maar onder dat gemompel in mezelf heb ik er alle vertrouwen in. Dat komt helemaal goed.

Toch blijkt het te veel gevraagd. Ik kan het tempo niet bijbenen en het verval is gigantisch. De laatste kilometer is vrijwel driekwart minuut langzamer dan de eerste. Als ik helemaal leeg over de finish kom ga ik nog langzamer dan ik gemiddeld liep op de marathon van afgelopen jaar.

Ik weet niet precies waaraan ik dit debacle moet wijten. Er zijn zoveel factoren die een rol kunnen spelen.

De wind is een makkelijke zondebok. Die was op de weg terug vanuit Maarssen toch venijniger dan ik had verwacht. Was ik maar de andere kant op gelopen, dan had ik hem in de moeilijkere tweede serie mee gehad.

Natuurlijk kan het ook de waardeloze opbouw van de oefening zijn geweest die me heeft genekt. De eerste kilometer gaat veel te snel omdat ik al in het begin mijn best doe om de snelheid te halen. Pas in de derde kilometer loop ik op het gewenste tempo, maar dat komt ook doordat ik dan wat moe begin te worden.

Verder kan het liggen aan het duel dat ik afgelopen dinsdag nog heb uitgevochten met Robert-Jan. Geurt schudde daarover al zijn hoofd en zei dat we nog helemaal niet zo hard moesten lopen in deze fase van onze training. Hiermee kon hij vandaag zijn gelijk wel eens hebben gehaald.

Dan is er het taaie slijm dat ik de afgelopen dag proef en ruik en dat ik in de pauzes steeds van achter mijn neus vandaan moet halen. Het is een overblijfsel van mijn verkoudheid en het zal er waarschijnlijk voor zorgen dat ik de komende dagen flink ga hoesten. Dat begint nu zelfs al, wat mijn uithoudingsvermogen niet ten goede komt.

Ook ben ik vandaag, tegen mijn gewoonte in, vroeg gaan rennen, zelfs zonder eerst te ontbijten. Vandaag gaan we namelijk naar het filmfestival van Rotterdam, voor drie films en dim sum in de pauze. Daar wil ik mijn schema best op aanpassen, maar of dat mijn prestaties verbetert is de vraag. Minstens is het een extra variabele.

Tot slot kan het natuurlijk ook gewoon komen doordat ik nog niet goed genoeg getraind ben voor dit soort inspanningen. Maar eigenlijk wil ik daar niet aan geloven. Ik zou dit gewoon aan moeten kunnen.

Over drie weken staat dezelfde oefening opnieuw op het programma. Dan neem ik revanche.

Mijn toptijd op een warme dag in april

Woensdag 31 januari. Rustdag. Nog 81 dagen tot de marathon van Londen

Medaille in RotterdamDe marathon van Rotterdam afgelopen jaar verliep voor mij vrijwel perfect. Al begonnen we de dag met de vervelendste beginnersfout die je op Dag M kunt maken: we namen niet voor de zekerheid een trein eerder.

Natuurlijk waren we keurig op tijd op het station, we konden ons zelfs makkelijk wat vertraging veroorloven. En natuurlijk was het behoorlijk druk op het perron toen we aankwamen, dat verontrustte ons allerminst. Want dat was te verwachten op een dag dat er 45.000 lopers naar Rotterdam afreizen. Tot zover niets bijzonders aan de hand.

Tot de trein aankwam. Die bleek slechts te bestaan uit één treinstel. Eén!

En we pasten er met z’n allen in, al vergde dat heel veel duwen en proppen. De zitplaatsen waren al wel vergeven, en wij kwamen niet verder dan het balkon, waar het zo vol was dat we onze armen nauwelijks konden bewegen. Tegen beter weten in wachtten we op het moment dat de deuren zouden sluiten en we vertrokken. Maar die droom spatte uiteen toen werd omgeroepen dat de trein te vol zat en dat wij ook wel begrepen dat we op deze manier niet kon vertrekken.

Blijkbaar was het andere treinstel dat de NS in de planning had ergens blijven steken. En dus moesten we zeker een half uur wachten op de volgende trein. Dat werd een ruim half uur waarin ik me behoorlijk druk maakte en waarin natuurlijk nog veel meer treinreizigers op het perron arriveerden. Zoiets bouwt op. Ik zag me al achteraan aansluiten in het startvak en mijn toptijd al vervliegen.

Gelukkig vertrok de volgende trein uiteindelijk wel. Ook daarin stonden we op het balkon, maar er was nog best wat ruimte om te ademen. Bovendien konden we lekker sarcastische opmerkingen over de NS uitwisselen met medereizigers, wat toch altijd een fijne uitlaatklep is. En het was een uitgelezen gelegenheid om op te scheppen over mijn verwachte eindtijd, wat me een aantal prettig bewonderende oh’s en ah’s opleverde.

Het volgende probleem was dat ik in Rotterdam maar een half uur de tijd had om van het station naar de start te komen, me klaar te maken, te rekken, te strekken, in te lopen. En dat is natuurlijk verre van ideaal. Dat wil je niet afraffelen, dat wil je rustig doen.

Het ergste was nog dat ik, om tijd te winnen, in de trein alvast van schoenen was gewisseld. Alleen had ik mijn veters niet strak genoeg vastgemaakt, wat ik pas merkte toen ik al kilometers onderweg was en er eigenlijk niets meer aan te doen was. Want stoppen om te strikken is dan geen optie meer.

Gelukkig kon ik op het traject van het station naar de Coolsingel nog redelijk inlopen. Ook was ik op tijd in het startvak, waardoor ik nog uitgebreid naar de wc kon, en stond ik mooi vooraan klaar toen Lee Towers zijn “You’ll Never Walk Alone” aanhief, wat ik door de slechte akoestiek overigens nauwelijks heb kunnen horen.

Daar stonden we dan klaar, in het zonnetje. Zondag 9 april 2017 werd zowat de mooiste dag van het hele voorjaar. De dagen ervoor was de temperatuur veel lager, de dagen erna ook. Maar tijdens de marathon steeg het kwik naar meer dan 20 graden. En dat terwijl 12 tot 15 graden ideaal is. Gelukkig viel het startschot redelijk vroeg, om 10 uur, zodat het in het begin tenminste nog redelijk koel was.

De eerste twee kilometer liep ik op een tempo van iets onder de vier minuten. Daarna liet ik me ietsje terugzakken naar rond de 4:10. Dat was ook ongeveer mijn plan geweest. Ik pakte daar vast een paar seconden terwijl ik nog fris was, om vervolgens te consolideren.

Mijn trainingsschema was gemunt op een tempo van 4:15, wat me precies onder de drie uur had gebracht. Maar een goed verlopen testloop en een mooie tijd op de halve marathon tijdens de City Pier City-loop in Den Haag hadden me zeker gemaakt van mijn zaak. Ik wilde rond de 4:10 blijven lopen.

Tijdens de ronde over Rotterdam Zuid ging alles helemaal naar wens. Ik liep lekker en hield het tempo prima vol. Geen last van benen, blaren, hitte of iets anders. Het was vooral genieten van de mensen, de atmosfeer, de frisheid, het mooie weer en Miriam stond op 15 kilometer en op de Erasmusbrug om me aan te moedigen en me het broodnodige gelletje toe te stoppen.

Zo ging het tot maar liefst kilometer 34, toen ik de Boszoom op draaide in zuidelijk richting. Net daarvoor, in de schaduw ten noorden van de Kralingse Plas, had ik al wel mijn eerste momenten gekend waarop het tempo niet meer helemaal vanzelfsprekend voelde. Maar die kleine inzinkingen had ik overwonnen. Op de Boszoom kwam ik echter vol in de zon te lopen, met alle wind tegen die er was.

Dat was ook precies het moment waarop de temperatuur merkbaar begon op te lopen. En dat had zijn impact. Ik moest temporiseren, of ik wilde of niet. Bovendien bereikte de irritatie van de huid onder mijn oksels mijn bewuste aandacht, wat het lopen nog eens extra lastig maakte. En toen ik na twee kilometer die vervloekte Boszoom kon afdraaien, een moment waar ik reikhalzend naar had uitgekeken, bleek daar niet veel meer schaduw te zijn.

Maar ik klampte aan en stortte niet in. Ik liet het tempo nauwelijks verder zakken dan 4:20. En met elke pas die ik zette hoefde ik minder ver te lopen naar het einde. Door die laatste kilometers heb ik me heen gebeten, op karakter.

Geurt had me op 30 kilometer aangemoedigd en deed dat weer op ongeveer 41. Hij vertelde me achteraf dat ik er de eerste keer nog fris had uitgezien en dat mijn techniek nog helemaal in orde was. Toen ik opnieuw langs kwam lopen had ik mijn armen wijd en liep ik lang zo effectief niet meer. Ook vertelde hij dat hij zijn longen uit zijn lijf had geschreeuwd om me aan te moedigen. Maar ik heb hem niet gehoord.

ranglijst 2017 in RunnersworldNiets drong nog tot me door. Ik wilde alleen naar die finish, waar een beloning op me lag te wachten in de vorm van een geweldig persoonlijk record van 2:57:11, meer dan 10 minuten sneller dan mijn vorige toptijd.

En natuurlijk de felicitaties van Miriam, mijn broer, nichtje en schoonzus. Die had ik verdiend! Net als plaats 410 in de Marathon Ranglijst 2017 in het februarinummer van Runnersworld, dat zojuist bij de mensen in de bus is gevallen.

 

Duelleren op de kilometer

Dinsdag 30 januari. Loopgroeptraining. Nog 82 dagen tot de marathon van Londen

Duel met Robert-Jan‘We gaan lekker veel lopen’, zegt Geurt, onze trainer, als we de kanaalboulevard op komen, een prachtig, breed, glad en kaarsrecht stuk asfalt waar alleen fietsers en wandelaars mogen komen. Bovendien staan er om de 100 meter mooie paaltjes waar we tijdens het lopen precies aan kunnen zien hoe ver we zijn, waardoor het een ideale plek is om te trainen. Geurt loodst ons er dan ook regelmatig heen.

‘Hè vervelend’, grappen wij. ‘Lopen! Precies waar we zo’n hekel aan hebben!’

Als we onze loopoefeningen hebben afgewerkt – hoge knieën, hakken-billen, lange benen, loopsprongen, doorversnellen, alles erop en eraan – kondigt Geurt de eerste oefening aan van het hoofdprogramma. We beginnen met honderd meter dribbelen, dan versnellen we en lopen we tweehonderd meter hard, daarna dribbelen we weer honderd meter om de hartslag omlaag te krijgen, waarna we opnieuw tweehonderd meter hardlopen, dan volgt nog een keer honderd meter dribbelen, en tot slot draaien we bij het paaltje van 700 meter direct om en rennen het hele stuk in een constant tempo van ongeveer vier minuut per kilometer terug.

In de pauze die op deze oefening volgt speculeren we al over de tweede opdracht. ‘Nog een keer tweehonderd hardlopen en een honderd meter dribbelen er bovenop?’, opper ik. ‘En dan een kilometer terug in het constante tempo.’ Maar dat blijkt pas de derde oefening te zijn. Eerst doen we nog een keer hetzelfde maar dan met driehonderd meter hardlopen in plaats van tweehonderd. Waarna we 900 meter terug moeten. Tot slot lopen we nog drie keer driehonderd meter met bijbehorende dribbels, en 1300 meter terug.

Alles doen we keurig zoals aangegeven door Geurt. Behalve die vier minuut per kilometer op de stukken terug, daar komen we niet eens bij in de buurt. Vooral de laatste langere afstanden loop ik samen met de grote sterke Robert-Jan vooraan. Het gaat steeds harder, omdat we elkaar geen centimeter willen toegeven.

Op de finale halve kilometer probeer ik hem met speldenprikken kapot te maken. Ik weet dat ik beter ben op de lange afstanden, alleen is dit bepaald geen lange afstand en hij heeft een zeer sterke wil. Hij bijt zich vast en laat niet los. Daarom moet ik hem vóór de laatste tweehonderd meter slopen, anders ben ik het haasje. Maar zelf loop ik ook op mijn top, en echt versnellen kan ik niet meer. Dus weet hij me in de laatste honderd meter alsnog van zich af te schudden.

Maar het voelt niet als verlies. Het voelt als een speels duel tot het uiterste, waar we allebei plezier aan beleven. En voor dat plezier hebben we elkaar nodig. Bovendien kan ik in de race opnieuw in praktijk brengen wat ik afgelopen donderdag heb geleerd bij de intervaltraining. Ik vermijd de verkramping van mijn bovenlijf als het tempo sneller wordt. Ik blijf de ontspanning zoeken en dat maakt het lopen zoveel prettiger. Het is iets wat ik met mijn hersens wel wist, maar wat ik met mijn lichaam echt moest ontdekken.

En achteraf moet ik constateren dat we op de lange afstanden minstens even snel of zelfs sneller hebben gelopen dan in de sprints. Dat had Geurt vast niet in gedachten toen hij de oefening bedacht. Al had hij natuurlijk ook best zelf kunnen bedenken dat dit zou gebeuren.

Sloof je maar eens niet zo uit!

Maandag 29 januari. Vaartspel. Nog 83 dagen tot de marathon van Londen

RegenBij gebrek aan paracetamol wat ibuprofen erin, de schrale plekken rond neus en mond ingesmeerd met vaseline, voldoende zakdoeken en water bij de hand, en met al die voorzorgsmaatregelen vroeg naar bed. Dat was het recept gisteravond.

En wonder boven wonder werkte het. Tot een uur of negen heb ik geslapen. In de tussentijd ben ik maar een keer of vier wakker geweest, wat sowieso heel weinig is. Die gelegenheden heb ik aangegrepen om een keer te niezen, te snuiten, te drinken, me even zorgen te maken over of ik opnieuw in slaap zal kunnen vallen, om vervolgens direct weer bewusteloos te raken.

Als ik wakker word zit wel mijn hele hoofd verstopt en zijn mijn ogen stijf dicht geplakt, dus het duurt lang voordat ik de moed bij elkaar geraapt krijg om de dag te laten beginnen en aan het werk te gaan. Ik heb geen idee of ik de signalen van mijn lichaam moet interpreteren als een verbetering of als een verslechtering ten opzichte van gisteren, dus laat ik het allemaal maar gewoon over me heen komen.

Tegen de middag ben ik zo ver opgeknapt dat er geen enkele twijfel bestaat of ik ga rennen vandaag, al ben ik wel blij dat de ergste regen net voorbij is getrokken. Het vaartspel staat weer op de planning, en daar heb ik zin in.

Vorige week heb ik dat veel te serieus aangepakt, zo hoorde ik van Geurt. Je hoeft niet zoveel versnellingen in te passen en het hoeft helemaal niet zo hard te gaan, niet tot 90 procent van je kunnen. Bij het vaartspel moet lekker lopen de boventoon voeren. Geen uitsloverij, waar ik af en toe natuurlijk wel een handje van heb.

De oefening komt uit Zweden en is bedoeld om je voor te bereiden op het punt in de wedstrijd waarop je wilt aanhaken bij een groepje dat op enkele meters voor je loopt. Om het gat naar de achterste lopers te overbruggen moet je dan ook even kunnen versnellen. Maar daarna moet je niet al je kruit verschoten hebben in een idioot snelle sprint, want dan kun je niet aanhaken. Je moet kunnen terugvallen naar ongeveer je eerdere tempo.

Daarom geen lastige dingen vandaag, geen sprints of records. Ik ga gewoon lekker spelen. Wel kies ik een wat sneller basistempo dan vorige week. Toen ging het ronduit langzaam, wat ook te rechtvaardigen was omdat ik die training ongeveer liep als een interval. Nu boots ik een wedstrijd na, en dan moet het toch wat harder.

Ook moet ik spelen met de wind. Als ik hem in de rug heb liggen de versnellingen rond het niveau van een stevige intervaltraining. Als ik hem tegen heb loop ik sowieso al een halve minuut langzamer per kilometer. Eén van mijn versnellingen gaat tegen de wind in en berg op. Dat is meer een intensiteitsverhoging, want echt veel sneller gaat het niet. Maar dat voorliggende groepje had ik er wel mee ingehaald!

En het begint al snel opnieuw te regenen. Maar daar heb ik geen last van. Regen deert me eigenlijk alleen als ik vanuit mijn knus verwarmde woonkamer naar buiten kijk en me bedenk dat ik zo meteen naar buiten moet om te rennen. Als ik eenmaal bezig ben is het wel lekker.

Geen wedstrijd vandaag

Zondag 28 januari. Korte duurloop. Nog 84 dagen tot de marathon van Londen

Verkouden

Wat had ik zin in dat wedstrijdje vandaag!

Maar de nacht is desastreus verlopen. Ik heb helemaal niet geslapen, zelfs niet even onrustig en dromerig. Ik heb alleen maar liggen ademen, door mijn mond, even moeizaam door mijn neus, die neus snuiten, door mijn mond, wat drinken omdat die mond daar zo droog van wordt, dan weer op mijn rug, dan weer op mijn zij. Nog een geluk dat ik niet hoefde te hoesten.

Nu zit mijn hoofd vol, kan ik mijn ogen nauwelijks open houden en is mijn lichaam stram en stroef. Dus ik voel me allerminst competitief.

Bovendien weet ik van mezelf dat ik me in een wedstrijd hoe dan ook helemaal leeg loop. Of ik me nou goed voel of niet, ik wil die renner voor me inhalen, die renner achter me achter me houden. En bovenal wil ik aan de finish een acceptabele tijd! En dat lijkt me vandaag geen goed plan. Het kan alleen maar uitdraaien op frustratie. Daarbij moet mijn lichaam zich vooral concentreren op gezond worden, niet op snelle tijden.

Natuurlijk ga ik wel rennen. Het is er prachtig weer voor en ik zal er van opknappen. Van binnen zitten kniezen is nog nooit iemand beter geworden. Maar ik houd me gewoon aan het schema, niks bijzonders, een uurtje op een lekker tempo hardlopen om de week af te sluiten.

En dan maak ik vanmiddag nog een ritje door de bossen op Sprettur. Die heeft toch ook aandacht nodig.

Juist als ik mijn loopschoenen wil gaan aandoen komt er een bericht binnen van Geurt, mijn trainer. Hij heeft nog een startbewijs over voor de Midwintermarathon van volgende week in Apeldoorn. En ik mag het hebben.

Die wedstrijd over 25 kilometer is veel leuker dan het lokale suffertje van tien dat ik nu had willen lopen. Komt dat even perfect uit allemaal! Zeker als ik volgende week weer helemaal de oude ben.

Lang en langzaam langs de Vecht

Zaterdag 27 januari. Lange duurloop. Nog 85 dagen tot de marathon van Londen

Breukelen langs de VechtGisteravond zijn de sluizen dan toch opengegaan. Terwijl ik op de bank zat met een kater gezellig tegen me aan gevlijd, begon ik te niezen en waren de zakdoekjes ineens niet meer aan te slepen.

En in bed kon ik nauwelijks door mijn neus ademen. Dat moest door mijn mond, waardoor mijn keel geïrriteerd raakte en het van hoestbui naar hoestbui ging. Toen ik rustiger werd, verweefde dat gevecht om adem zich met een vreemde droom over muren, hellingen en hoeken waar ik zelfs toen ik nog sliep geen touw aan kon vastknopen.

In de ochtendschemer word ik dan ook uitgeknepen wakker, met zulke zware oogleden dat ik nog lang niet de moed heb om ze definitief open te doen en op te staan. Dat geeft me wel de tijd om rustig na te denken over de opdracht van vandaag. Een lange duurloop van twee uur en vijftien minuten.

Mijn hele lichaam verzet zich tegen het idee. Maar ik heb geen koorts, dus er is geen reden om te verzaken.

Op basis van de loop van gisteren en de snelheid die ik vandaag moet aanhouden bereken ik dat mijn route zo’n 25 kilometer lang moet zijn. Op mijn telefoon zoek ik de laatste training op over die afstand. Die voerde langs het kanaal naar Breukelen en langs het kanaal weer terug.

Zo rond een uur of tien sleep ik me uit bed. Voordat ik ga rennen moet ik ook nog langs de bakker, ik moet wat vertaalwerk doen en er is vanochtend een mailtje gekomen van Frank, de hoofdredacteur van StraatNieuws, met wat teksten die ik moet nakijken.

Als ik dat programma heb afgewerkt, inclusief een pot koffie, voel ik me ietsje beter, al houdt het niet echt over. Ik maak me klaar. En dit keer neem ik ook een flesje water mee om te compenseren voor al het vocht dat uit mijn neus komt lopen.

De eerste kilometers gebruik ik om mijn snelheid te bepalen. Dan blijkt dat ik me gisteren voor niets zorgen heb gemaakt. Ik ren gewoon heel erg rustig en dan kom ik vanzelf uit op een tempo van zo’n 5:20 a 5:30 per kilometer. Dat voelt gewoon heel comfortabel.

En dat is ook precies de bedoeling, zo heeft Geurt me afgelopen dinsdag uitgelegd. Dit is vooral een krachttraining voor de bovenbenen, maar wel een waarvan je heel snel weer herstelt. Juist daarom moet het niet veel rapper gaan.

Als ik in Maarssen aankom besluit ik mijn route te verleggen. De route langs het kanaal heen en terug is te saai voor dit tempo. Ik neem de weg langs de Vecht. Die is ietsje langer, wat het bijkomende voordeel zou kunnen hebben dat ik geen extra lus hoef in te bouwen.

Aan het eind blijkt dat tot op de meter en tot op de minuut uit te komen, als ik precies voor mijn huis, zonder één enkele omweg te hebben genomen, mijn horloge stilzet na 2:15:15 uur en op 25,0 kilometer. Dat is bijna eng!

En ook op een andere manier is het een gouden greep. Het is heerlijk om langs het water te lopen, langs de buitenplaatsen van de rijken uit de zeventiende eeuw. Zeker met wind mee lijkt het wel lente. Dat er tussen de winterklokjes ook al krokusjes uitkomen versterkt dat gevoel, net als de twee futen die elkaar midden op de rivier al het hof aan het maken zijn.

Zelfs als ik op de terugweg de aantrekkende wind tegen krijg blijft het lekker. Volkomen ontspannen maak ik mijn kleine, bijna huppelende pasjes. En af en toe leeg ik mijn neus. Voorzichtig, om mijn keel niet te bezeren.

Langzamer vallen

Vrijdag 26 januari. Rustige duurloop. Nog 86 dagen tot de marathon van Londen

tempo 26-1In mijn vorige schema had ik vrijdag vrij, maar die luxe heb ik niet meer. Er staat een rustige duurloop op het programma van ongeveer anderhalf uur.

Daarbij doet zich een probleem voor dat je misschien niet direct zou verwachten, maar waar ik vaker mee worstel. Ik loop te hard.

Dit keer heb ik mezelf voorgenomen om me redelijk aan de snelheden te houden die mijn trainer heeft voorgeschreven, en vandaag is die snelheid 5 minuten per kilometer. Daar mag ik gerust ietsje van afwijken, maar niet te veel. Die snelheid staat er namelijk niet voor niets. Daar heeft Geurt een bedoeling mee. Dus probeer ik mezelf de hele loop door te corrigeren.

Maar die correcties mogen niet ten koste gaan van mijn techniek. Mijn stapfrequentie wil ik niet aanpassen en bijgevolg moet de traagheid uit mijn staplengte komen. Die probeer ik kleiner te maken.

De grootte van mijn stappen bepaal ik weer met de stand van mijn lichaam. Ik hel naar voren, zodat ik voorover in de volgende stap val. Hoe meer ik voorover hel, hoe groter mijn stappen worden. Snelheid minderen is dan ook vooral een kwestie van balanceren.

Zo rond de dertiende kilometer vind ik eindelijk een goed evenwicht, waarbij ik ook mijn voetenwerk reactief en voorwaarts gericht kan houden. Dat heeft wat voeten in de aarde gehad!

En morgen wordt het helemaal erg. Dan moet ik nog veel langzamer.

Soepel lopen, ook al ga je kapot

Donderdag 25 Januari. Intervaltraining. Nog 87 dagen tot de marathon van Londen

tempoAl vanaf dinsdag, nog vóór de loopgroeptraining, voelt mijn luchtpijp rauw. Eerst dacht ik daar niet zo over na, maar sinds er gisteren wat hoesten, wat keelpijn en wat snot is bijgekomen maak ik me zorgen. Ik wil niet ziek worden! Ziek zijn is stom!

Toch weet ik maar al te goed dat er een griepepidemie gaande is. Overal in mijn omgeving vallen mensen om. En hoewel ik vind dat mijn lichaam zo’n griepje eronder moet kunnen houden, is dat geenszins een garantie voor blijvende gezondheid.

Ook weet ik dat als ik daadwerkelijk ziek wordt, dat zomaar kan uitlopen op een week of langer koorts, hoesten en niezen, lusteloos in bed en op de bank. Dat is een schrikbeeld waar ik niet vrolijk van word.

Dus heb ik vandaag thuis gewerkt. Bovendien heb ik de gelegenheid te baat genomen om eens bruut uit te slapen, zeker tot 9 uur! Dat moet mijn weerstand toch goed doen.

De dag is hoopgevend verlopen. Mijn neus is open gebleven en ik heb veel harder kunnen werken dan ik op kantoor ooit had kunnen doen, met alle drukte die daar heerst en de vergaderingen die ik er had moeten uitzitten.

Als het tijd is om te gaan rennen doe ik dus alsof mijn neus bloedt in plaats van dat hij op het punt staat te gaan lopen. Ik ga gewoon, ook al voel ik mijn longen zitten en heb ik steeds de drang om mijn keel te schrapen. De griep, hoe erg die ook zal toeslaan, kan me deze intervaltraining niet afnemen.

Het is de eerste intervaltraining van mijn nieuwe, snellere schema. En dat merk ik. Het tempo moet flink omhoog. Over een kilometer mag ik nu nog maar 3 minuten en 35 seconden doen. Dat is snel. Ook moet ik het twaalf keer volbrengen in plaats van acht en krijg ik steeds maar drie minuten pauze.

Het beste is om er maar gewoon aan te beginnen.

Wat zo’n training extra waardevol maakt is dat je toch steeds weer merkt dat je sterker bent dan je denkt. Bovendien leer je van dit soort intensieve inspanningen hoe je lichaam werkt.

Na een paar snelle kilometers begin ik het idee te krijgen dat ik het moordende tempo niet kan volhouden. Ik laat dan ook een beetje lopen door ontspanning in mijn lichaam te brengen. Maar als die bewuste kilometer erop zit, blijk ik keurig op schema te hebben gelegen. Het ging sneller dan ik dacht.

Daarna probeer ik met die ontspanning te spelen. En zo wordt het een heel leerzame oefening, die des te leerzamer is doordat ik het maar liefst twaalf keer mag proberen. Steeds weer hetzelfde, zodat ik echt kan verfijnen wat ik probeer.

Zeker vanaf de achtste snelle kilometer, als ik al langs het kanaal loop dat me in één lange rechte lijn helemaal thuis zal brengen, ben ik hier geconcentreerd mee bezig.

En het werkt. Al wordt het naarmate iedere kilometer vordert natuurlijk steeds moeilijker om die ontspanning te behouden, het lukt me aardig. Ik houd mijn snelheid op peil zonder nog de hoeveelheid kracht te gebruiken die ik in de eerste kilometers nodig had. Dat maakt het lopen zoveel makkelijker.

Deze intervaloefening heeft dus niet alleen effect op mijn lichaam, waar hij toch voornamelijk voor is bedoeld. Hij drukt me ook met mijn neus op een feit dat ik natuurlijk al lang wist, maar wat ik niet altijd in de praktijk breng. Je hoeft helemaal niet zo je best te doen voor snelheid.

Je moet gewoon lekker lopen, ook al ga je kapot!

Blessuregevoeligheid

woensdag 24 januari. Rustdag. Nog 88 dagen tot de marathon van Londen

voetAl vanaf november ben ik helemaal blessurevrij.

Natuurlijk voel ik hier en daar wel een pijntje. Mijn rechter hiel is bijvoorbeeld wat gevoelig, ik heb af en toe een blaar en een van mijn onderbenen voelt soms wat eigenaardig. Maar er is niets wat me tegenhoudt bij het lopen. Bovendien doet mijn lichaam in het algemeen een stuk minder pijn dan voorheen als ik in volle training was.

Twee jaar geleden kon ik nauwelijks de trap afkomen als de wekelijkse trainingsarbeid weer opliep richting de 80 kilometer. Nu is dat vrij standaard en heb ik dus geen enkele moeite met traplopen.

Eerder dit seizoen was dat anders. Toen had ik last van mijn voet, waardoor ik een maand of twee veel minder heb gelopen dat ik van plan was. Met die blessure kwam ik in juli thuis, na een van de wekelijkse loopgroeptrainingen waarin ik flink had moeten sprinten. Blijkbaar had ik mijn voet een keer ongelukkig neergezet. Ik voelde direct dat er iets verkeerd zat.

Maar de ernst ervan onderkende ik natuurlijk niet, want zulke dingen gebeuren vaker en meestal voel je er de volgende dag niets meer van. Bovendien wil je gewoon niet dat er iets komt tussen jou en het lopen. Dat stop je weg, je praat er niet over, je denkt er zelfs niet over na. Je merkt het alleen op en hoopt dat het allemaal binnen de perken blijft.

Eind augustus ging het die perken te buiten na een wedstrijd over 10 kilometer. Het was precies de loop die ik vorig jaar niet voluit had kunnen rennen vanwege een slepende knieblessure. Vanaf mei tot september 2016 heeft die me weerhouden van intensief trainen voor de marathon van Boedapest in oktober.

Voor die marathon was ik dan ook veel te slecht getraind en daardoor draaide die missie op een mislukking uit. En dat ik een slechte tijd neerzette – terug bij af op 3:19 – was tot daar aan toe. Het ergste was dat ik met mijn tong op mijn knieën aankwam. Tot de helft ging het eigenlijk best goed en dacht ik dat ik redelijk vormbehoud kon gaan aantonen. Maar in de laatste 10 kilometer zakte mijn tempo volledig in.

En hoe leuk het ook was om langs de Donau te lopen en de stad met koepels en kerken achter het eiland Margit-Sziget vandaan te zien komen, en hoe fijn het ook was om na de marathon in een warm stadsbad weg te zakken, en hoe gezellig het ook was met mijn medelopers, ik had het liever niet gedaan. Als je niet fatsoenlijk kunt lopen, kun je beter gewoon een citytripje boeken. Dan heb je ook geen last van pijn in de benen als je gaat sightseeën.

Het jaar daarvoor was weer alles anders. Toen was ik ineens veel intensiever gaan trainen en had ik regelmatig te maken met kuitspieren en hamstrings die verkrampten. Dat gebeurde zelfs nog een keer tijdens de City Pier City, twee weken voor de marathon. Gelukkig herstelde ik daar heel snel van, onder andere doordat mijn fysiotherapeut droge naalden in mijn benen stak. Dat is een heel eigenaardig gevoel, maar het is wel heel effectief.

Tijdens de marathon van Utrecht realiseerde ik vervolgens eindelijk mijn droom, meer dan een uur sneller lopen dan mijn eerste marathon: 3:08:33.

Ook vóór die tijd heb ik mijn blessures gehad. Ik herinner me nog dat ik veel last had van mijn onderrug toen ik pas begon met langere afstanden. Dat heb ik opgelost door heel anders te gaan lopen, wat nu ‘werken aan je core stability’ zou heten.

Verder staat de keer me nog levendig voor ogen dat het twee weken voor de marathon op een gruwelijke manier in mijn hamstring schoot, toen ik even lekker met een hond aan het spelen was. Die blessure sluimerde al, maar bevond zich nog in de fase van ‘misschien wel, misschien niet’, waarin je er wel rekening mee houdt maar er niet over praat. Aan die fase kwam op dat moment acuut een einde, waardoor ik op de bloedhete tweede paasdag die daarop volgde de hardlopers kon aanmoedigen die langs mijn huis kwamen sjokken. Ik was bijna blij dat ik niet mee hoefde te doen.

En dit seizoen was het dus een teen die me parten speelde. Toen ik eenmaal de ernst van de blessure inzag ben ik er natuurlijk mee naar de fysiotherapeut gegaan. Een keer of vier zelfs. Maar doordat de blessure uitstraalde, tot aan de toppen van mijn tenen, kon ik niet goed aangeven waar het probleem precies zat. Dat lukte me pas toen er alweer twee maanden met afwisselend meer en minder pijn voorbij waren gegaan.

Op mijn precieze aanwijzingen voelde mijn fysio vervolgens een klein bultje op een van mijn tenen, waarna ik ook nog een scan heb laten maken. Maar tegen de tijd dat daar uitkwam dat het een kalkbultje was, had ik alweer veel minder last. Het advies was dan ook om dat dingetje gewoon te laten zitten. En de week erop voelde ik er helemaal niets meer van.

Het vervelende aan dat soort vage langlopende blessures is dat ze me onwillekeurig de angst inboezemen dat ik nooit meer fatsoenlijk zal kunnen hardlopen. Dat spreek ik pas uit als ze weg zijn. Spottend, want ik vind mezelf een zeurpiet. Maar toch maakte ik me er ergens onder het oppervlak zorgen over. Want wat als dit nog veel langer duurt?! Dan kan ik die marathon ook wel op mijn buik schrijven!

Gelukkig is er tot nu toe altijd weer dat mooie moment geweest dat ik opmerkte dat ik al enkele dagen niets meer heb gevoeld en dat ik gewoon lekker loop. Als dat nu, net als vorig jaar, gewoon zo blijft, dan wordt het een loopfeest daar in Londen.

Zeker als het weer een beetje meewerkt.

Steeds sneller, ook al is dat niet de bedoeling

Dinsdag 23 Januari. Loopgroeptraining. Nog 89 dagen tot de marathon van Londen

tempo 23-1Het programma waarin het wereldrecord van Dennis Kimetto op de marathon van Berlijn in 2014 wordt geanalyseerd kan ik net niet helemaal afkijken. Gelukkig heb ik mijn feest van herkenning al ruimschoots gehad, hoewel de snelheden die de Kenianen halen, van meer dan twintig kilometer per uur, me volkomen vreemd zijn.

Wel knik ik instemmend als me wordt verteld over het psychologisch prettige punt van de halve marathon, omdat je dan kunt gaan aftellen. Verder ben ik het er helemaal mee eens dat 12 graden de ideale temperatuur is voor een marathon en dat de eerste 30 kilometer van de marathon makkelijk zijn. Terwijl ik ook maar al te goed weet hoe kapot je kunt gaan op die laatste twaalf, zeker als het warmer wordt! Het drinken tijdens het lopen vormt voor vrijwel iedereen een probleem, de haarspeldbochten een ander.

Als ze het gaan hebben over toekomstige wereldrecords, moet ik de deur uit voor de loopgroeptraining die om acht uur begint. Al weet ik ook wel dat die training helemaal niet stipt om acht uur begint. Dan staan we nog te kletsen en op Robert-Jan te wachten. Die komt precies aanlopen als we besluiten weg te gaan, net zoals iedere week.

Geurt leidt ons naar een plek uit de wind, waar we in alle rust onze opwarmingsoefeningen kunnen doen. Ook laat hij ons squats maken, squats op één been, springoefeningen, springoefeningen op één been en eigenaardige loopoefeningen waarbij we met één been de knie optillen en met het andere been de hak, of waarbij we één been stijf vooruit zetten en met het andere de hak tegen de kont gooien.

Vooral die laatste oefening moet er heel vreemd uitzien. Kan iemand het ministerie van rare loopjes bellen? Geurt vertelt dat dit soort oefeningen goed zijn voor de coördinatie. En coördinatie is belangrijk voor de techniek, wat weer van levensbelang is bij de marathon, zeker bij die cruciale laatste twaalf kilometer.

Na nog een paar steigerungen zijn we klaar voor het hoofdgerecht, vier series van twee keer 600 meter in een behoorlijk straf tempo. Dus vier keer heen en terug, waarbij we op het verste punt steeds een pauze krijgen van één minuut, en tussen de series ietsje langer. Maar de lange pauze wordt wel steeds ietsje korter. Die gaat van drie minuten, naar twee-en-een-half, naar twee.

De rust wordt benut om de schema’s door te spreken en over kinderen te praten. Er wordt zelfs een Thule-race gepland, waarmee je alleen mag meedoen met een sportkinderwagen, met een kind erin. Het zijn natuurlijk vrijwel allemaal jonge vaders in de groep.

Tijdens de eerste 600 meter voel ik direct dat ik gisteren geen vrije dag heb gehad, zoals anders op dinsdagen. Het gaat helemaal niet makkelijk, maar ik kom toch keurig mee in de voorste gelederen. Gelukkig gaat de tweede serie al wat makkelijker. Met mijn tempohardheid zit het wel goed.

En natuurlijk gaat het steeds weer wat harder, ook al heeft Geurt ons op het hart gedrukt dat het tempo constant moet blijven. De laatste 600 meter is zeker 15 seconden sneller dan de eerste. Alleen Robert-Jan blijft me daarbij voor. Dat is een sterke beer van een jongen met veel snelheid en ik neem er ruimschoots genoegen mee dat ik hem enigszins kan bijbenen. De rest lopen we op kleinere dan wel grotere afstand.

Maar ik ben toch blij dat ik morgen een rustdag heb. Die kan ik best gebruiken!

Nieuw schema zet me direct aan het werk

Maandag 22 januari. Géén rustdag. Nog 90 dagen tot de marathon van Londen

Gisteren heb ik een lange duurloop gedaan, dus vandaag heb ik vrij. Dat zegt tenminste het schema dat ik bij gebrek aan beter nog altijd aanhoud. Ik doe het dan ook rustig aan, neem de tijd voor de afwas en zo dadelijk ga ik koken.

Maar dan, rond kwart voor zes, komt er een mail binnen van Geurt, mijn trainer. Compleet met nieuw schema! Daar zat ik al op te wachten.

Nieuwsgierig open ik het bestand. Bij eerste inspectie valt direct op dat er een paar nieuwe elementen in zitten, zoals het ‘viaduct’ en het ‘vaartspel’. Bovendien bestaat mijn trainingsweek vanaf nu niet meer uit vijf, maar uit zes dagen.

En dat laatste betekent vooral dat ik vandaag helemaal geen vrij heb. Ik moet aan de bak! 1:15 uur vaartspel.

Wat vaartspel is staat er gelukkig bij uitgelegd. Het is spelen met snelheid. Ik moet gewoon lekker lopen en zomaar spontaan een aantal versnellingen van tussen de 300 en 600 meter plaatsen. Dat klinkt als pret.

Maar ik vind het lastig om afscheid te nemen van mijn rust. Ik was er al helemaal op ingesteld om vandaag niet te rennen. Vanaf gisteren heb ik daar al rekening mee gehouden. En dat schema komt wel héél erg op het laatste moment binnen. Een kwartier later en het was écht te laat geweest. Is het dan niet gerechtvaardigd om er vanaf morgen mee te beginnen? Ja toch?

Neen!

Even ben ik in de verleiding geweest, maar ik roep mezelf streng tot de orde en kleed me resoluut om. Om het mezelf gemakkelijk te maken kies ik nog wel de simpelste route die ik ken. Die kan ik gedachteloos lopen. Later zal ik hem nog wel met ongeveer een kilometer uitbreiden om in de buurt van de 1:15 uur uit te komen, maar dan ben ik al lang lekker bezig.

In vijftien kilometer plaats ik 11 kortere en langere, snellere en minder snelle versnellingen. Tussendoor loop ik gewoon lekker verder. Ik vermaak me prima door wat fietsers in te halen op viaducten en ik geef joggers het gevoel dat ze bijna stilstaan.

Op het laatst probeer ik ook nog even een persoonlijk record neer te zetten op een Strava-segment, door heel stevig aan te zetten. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ik harder zou kunnen lopen.

Nog even uitlopen, een laatste kleine versnelling en ik mag naar binnen. Dan heb ik mijn rustige avond verdiend!

Maar als ik mijn horloge heb gesynchroniseerd, blijkt dat ik het segment van 100 meter ooit maar liefst drie seconden sneller heb gelopen. De tijd van vandaag staat niet eens in mijn top drie! Het kan dus nog véél sneller!

Wie weet kan mijn nieuwe schema daarvoor zorgen.

Een prikkelend frisse dag en de historische bril van Mark Rutte

Zondag 21 januari. Nog 91 dagen tot de marathon van Londen

Lopen door de polderDe zon schijnt, het is net boven het vriespunt en het waait nauwelijks. Op zo’n fris prikkelende dag is het geen straf om 30 kilometer te rennen. Ik besluit dat het perfect weer is voor de kastelen, molens en fortenroute, mijn oudste lange afstandsloop, vernoemd naar de historische gebouwen die ik onderweg tegenkom.

Het blijkt een goede keus, zeker vanwege de polders waar ik doorheen moet. Het stikt in de velden van de ganzen, eenden, koeten, ooievaars en ander gevogelte.

Maar dit keer worden niet alleen mijn zintuigen geprikkeld. Gisteren heb ik drie uur in de auto gezeten op weg naar het oosten van Noord-Brabant en dus heb ik om het half uur het nieuws moeten aanhoren. Daarop was steeds opnieuw te beluisteren dat premier Rutte heeft gezegd dat we ervoor moeten waken historische figuren als JP Coen met onze opvattingen van nu.

Daar ergerde ik me gisteren in de auto al behoorlijk aan, maar nu ik twee en een half uur door het Hollandse landschap loop, met zijn slootjes, riviertjes, kanalen en ijle populieren, kan ik rustig argumenten zoeken voor mijn ergernis.

Het ergerlijke is dat Rutte hiermee een VOC-duit in het zakje doet van de discussie over de JP Coen School die zijn naam wil veranderen. Op die school vinden ze de koene vaderlandsche held niet meer bij hun identiteit passen, aangezien hij in zijn tijd een aantal bepaald onfrisse dingen heeft gedaan.

En nu neemt Mark Rutte, als minister president, standpunt in deze zaak door zijn historicusbril op te zetten. En als historicus moet je inderdaad verre blijven van het beoordelen van historische figuren met hedendaagse ogen, daar heeft Mark een punt. Historici bestuderen historische figuren in hun context en daarbij is het niet nodig om hen te veroordelen of te prijzen. Ze bedrijven wetenschap.

Maar toch slaat Mark Rutte hier de plank volledig mis, omdat het helemaal geen historisch debat is wat wordt gevoerd!

Overigens moet ik wel toegeven dat ik het interview met hem niet heb gehoord en dat ik dus evenveel weet als de gemiddelde radioluisteraar. Maar via die summiere berichtgeving sijpelt zijn mening wel door naar de rest van Nederland en beïnvloedt die zo de discussie. Vandaar dat ik er alleen al op basis van die kennis een mening over kan en mag hebben.

En die mening is dat Rutte het debat vertroebelt. Het gaat hier namelijk helemaal niet over historische figuren in hun context. Het gaat over het eren van die historische figuren. En eren doe je per definitie in het heden, met een hedendaagse bril op.

Toen de school vernoemd werd naar de slachter van Banda, stond men nog veel dichter bij het koloniale verleden. Misschien was Nederland op dat moment zelf nog wel een koloniale mogendheid. Bovendien had men in het suffe Nederland een begrijpelijke heimwee naar de glorietijden van weleer.

Dan is het volkomen logisch dat je een school vernoemt naar JP Coen. Dat is ook niet de eerste de beste. Hij is de stichter van Batavia en hij stelde de handel in nootmuskaat veilig, wat ons heel veel rijkdom heeft opgeleverd. Dat er daarbij her en der een spaandertje is gevallen, dat neem je met alle plezier voor lief. Laat de jeugd maar eens een voorbeeld nemen aan die man!

Maar tijden veranderen, en daarmee ook de brillen waarmee we naar het verleden kijken. En die bril is dus wel degelijk relevant voor de discussie, in tegenstelling tot wat Mark Rutte lijkt te suggereren.

Het is daarom helemaal aan het bestuur van de school zelf om te bepalen of ze nog wel geconfronteerd willen worden met de historische figuur die er door de stoffige bril van de eerste helft van de vorige eeuw uitzag als held en als voorbeeld voor onze jeugd.

Ik wens hen daarbij heel veel wijsheid en ik hoop dat ze zich op geen enkele manier laten leiden door wat onze minister president ervan heeft gezegd.

Nu even iets heel anders: tölt met losse teugels

Zaterdag 20 januari. Nog 92 dagen tot de marathon van Londen

tölten met losse teugelVandaag heb ik andere dingen aan mijn hoofd dan hardlopen.

Dus sta ik om zes uur op om samen met Miriam naar de wei te gaan, waar we in het licht van onze hoofdlampen de trailer aankoppelen, allerlei benodigdheden verzamelen en twee van de ponnies inladen. Dan anderhalf uur rijden naar de stal waar de cursus wordt gegeven en waar de rest van de cursisten zich al hebben verzameld rond koffie en taart. Ieder krijgt drie kwartier ‘s ochtends en een half uur in de middag les van Siggi, een lange blonde IJslander die Engels spreekt maar Nederlands prima verstaat.

De lessen verlopen verbazingwekkend goed. Na ’s morgens vooral gewerkt te hebben aan aandacht van het paard, tölten we in de middagles rondje na rondje over de baan met losse teugel, iets waarvan ik echt nog niet dacht dat we dat konden. Maar verbazingwekkend genoeg gaat het perfect, op het moment na dat Sprettur de bak in wil en een noodstop moet maken.

Dat we de laatste tijd veel hebben geoefend op versnellen en vertragen komt nu heel goed van pas. Daardoor weet ik precies wanneer ik mijn benen moet samenknijpen om het paard in te houden of hem al dan niet subtiel mijn onderbeen moet laten voelen om hem in gang te houden.

Maar dat zijn slechts de meest in het oog springende signalen. Ik kom er steeds meer achter dat paardrijden iets is wat je met je hele lichaamsspanning en -ontspanning doet. Zo communiceer ik steeds beter met het andere lid van het team: Sprettur.

We groeien samen. Een jaar geleden kreeg ik hem de baan niet eens rond zonder in draf te vallen, zo helpt een complimenteuze medecursist me even herinneren. Natuurlijk moeten we nog werken aan zijn houding, maar dat is iets voor later.

En nog een voordeel: ik hoef tegenwoordig helemaal niet meer hard met mijn benen te knijpen, zoals ik deed toen we elkaar nog niet verstonden. En daardoor heb ik morgen ongetwijfeld een stuk minder last van spierpijn bij de lange duurloop die op het programma staat.

Ik heb er nu al zin in.

Gewoon lekker lopen

Vrijdag 19 januari. Nog 93 dagen tot de marathon van Londen

lucht in het MaximaparkVandaag staat er een rustdag op het programma. Maar morgen kan ik niet lopen omdat ik dan naar een cursus ga van Siggi Mar, wereldberoemd in de IJslanderwereld. Hij gaat me hopelijk meer tips en aanwijzingen geven over hoe ik met Sprettur verder kan komen, nu ik dit jaar de T8 achter me wil laten en wil gaan uitkomen in de T7 en misschien zelfs in de T5. Dan moet ik langzamer en sneller leren tölten en daar kan ik best wat onderricht bij gebruiken.

Maar dat betekent wel dat er vandaag gelopen moet worden, anders raak ik achterop. Als compromis besluit ik een ontspannen loop in te lassen. Ik mag lopen zoals ik wil en hoe hard ik wil, zolang ik maar lekker loop. Daarvoor kies ik het rondje door het Maximapark, iets meer dan 18 kilometer.

Het begint in mineur. In de eerste 5 kilometer krijg ik een stevige hagelbui op mijn hoofd. Maar als die voorbij is word ik getrakteerd op een heerlijk frisse loop onder prachtige wolkenpartijen die worden afgewisseld met blauwe lucht en beschenen door een ondergaande zon.

Er zit een aalscholver in de sloot, er scharrelen meerkoeten en fazanten rond, een kraai met witte strepen op zijn vleugels vliegt voorbij, ik zie een valk bidden in de lucht, een grote zwerm meeuwen stijgt op de thermiek terwijl ze scherp contrasteren met de fel beschenen wolk op de achtergrond. Ik kan het allemaal rustig bekijken, terwijl mijn lichaam geroutineerd en soepel het loopwerk verricht.

Een hardloper die uit een zijstraat komt probeert bij me aan te haken, maar als ik even later omkijk om te zien waar hij blijft, is hij in geen velden of wegen te bekennen. Het mag dan makkelijk gaan, maar het gaat zeker niet langzaam!

Zulke lopen heb ik nodig om me er aan te herinneren dat hardlopen gewoon leuk is. Het voert je langs een overvloed aan beelden en als je lichaam zo getraind is als het mijne worden die beelden alleen maar scherper en prikkelender. De hele wereld om je heen wordt lichamelijk.

In die lichamelijke wereld dompel ik me onder en ik geniet met volle teugen, terwijl ik als afsluiting nog even versnel. Gewoon omdat het zo makkelijk gaat en zo lekker voelt.

Het werk komt zondag wel weer, ongetwijfeld met spierpijn in delen van mijn lichaam die ik bij het lopen nauwelijks aanspan maar die ik bij het paardrijden hard nodig heb om Sprettur onder controle te krijgen. Want in tegenstelling tot bij het hardlopen ligt bij het paardrijden de ‘zone’ nog ruimschoots buiten mijn bereik.

Intervallen

Donderdag 18 januari. Nog 94 dagen tot de marathon van Londen

IntervallenHet grootste deel van de dag heeft het gestormd, maar als ik van de paarden terugkom, tijd om te gaan rennen, is het vrijwel windstil. Dat is maar goed ook, want er moet snelheid ontwikkeld worden vandaag, en dat gaat beduidend minder goed tegen harde wind in.

Het schema vermeldt 4 maal 2 kilometer met een tempo van 3:49 per kilometer. En dat schema is nog van vorig jaar, dus eigenlijk moet het nog ietsje sneller. Wel neem ik mee in de berekeningen dat ik zojuist door de modder heb geploeterd en dat het griepje nog steeds aan mijn lichaam knaagt. Maar ik ga sowieso van leer trekken.

Daarom doe ik vandaag wel mijn nieuwe schoenen aan. Al bij de inleidende steigerungen voel ik dat ik daar veel soepeler op loop. Dat wordt genieten!

Toch start ik vrij voorzichtig. Na de eerste kilometer geeft mijn horloge aan dat ik er 3:53 over heb gedaan. In de tweede kilometer kom ik lekker in mijn ritme en die gaat dan ook in een keurige 3:43. Zo mag ik het zien.

Nu mag ik drie minuten uitpuffen. In die tijd kan ik precies de spoorbrug beklimmen, wat ik dan dus niet op snelheid hoef te doen. Als ik bijna boven ben merk ik op dat er een fietser me achterop komt. Het zal er om hangen of ze me gaat inhalen voordat ik weer versnel. En als ze dezelfde snelheid aanhoudt als ze nu heeft zal ze me niet kunnen bijhouden.

Het zou makkelijker zijn als ze nog achter me zit als de drie minuten voorbij zijn, maar ik ben er niet gerust op.

En jawel hoor, ze rijdt net een meter of twee voor me als ik weer het startsein krijg. Dus versnel ik tot precies haar tempo, want er is op de brug nauwelijks ruimte om in te halen. Hopelijk geef ik haar geen al te onveilig gevoel, het moet toch raar zijn om zo iemand achter je te aan te hebben.

Als de weg na de brug weer breder wordt ga ik haar alsnog voorbij. “Sorry, je gaat net ietsje te langzaam”, geef ik haar mee, om de spanning te breken. Dan dender ik de helling af, waarop ze me natuurlijk direct weer inhaalt. Fietsers hebben nu eenmaal meer voordeel van bergaf dan hardlopers.

Na de eerste kilometer blijkt dat ze een heel mooie springplank is geweest: 3:34. Bam! Die zit. Maar dat moet ik in de kilometer daarop bekopen. Ik snak naar het einde van de sprint, dat steeds als ik spiek op mijn horloge nog verder weg is dan ik hoop. En ik moet een verval slikken van bijna 20 seconden. Het wordt steeds duidelijker dat de topvorm er vandaag niet is.

De derde twee kilometer doe ik het rustiger aan, maar ook vlakker. Ik heb mijn lesje geleerd. 3:47 om 3:42. Fijn dat ik kan versnellen terwijl ik het toch moeilijk heb.

In mijn daaropvolgende pauze zie ik dat mijn hartslag nauwelijks omlaag gaat. Die blijft in het rood rond de 160, en ook dat is een teken dat ik niet helemaal fit ben. Normaal gesproken is mijn hartslag toch alweer ruim in het grijs als ik aan mijn volgende sprint moet beginnen.

Nog één keer aanzetten en dan is het gedaan. Ook die kilometers kom ik goed door met 3:46 en 3:49, terwijl ik op het laatst toch een brug moet beklimmen. En voor de allerlaatste honderd meter haal ik nog ergens een sprintje vandaan.

Ik ben uitgeteld en mijn linker been doet pijn. Het is een pijn die ik wel vaker heb en die altijd snel weer wegtrekt. Maar nu blijft hij langer hangen, zelfs tot nadat ik thuis mijn schoenen heb uitgetrokken. Maar blijf ik ervan overtuigd dat ik niet ziek ga worden.

Daar heb ik helemaal geen tijd voor! Nog maar 94 dagen tot Londen!

Lamlendig

Woensdag 17 januari. Nog 95 dagen tot de marathon van Londen

Grote Lamlendigheid overvalt me als ik thuiskom van mijn werk. Dat kan komen doordat de hele dag mensen aan me hebben getrokken en aandacht van me wilden. Het kan ook zijn dat het virus dat Miriam in zijn greep heeft opnieuw een aanval doet op mijn gestel. Ik nies de hele dag al meer dan anders en op sommige momenten had ik het tegelijk warm en koud. Dat zijn geen goede tekenen.

Zeker na het boodschappen doen slaat hij keihard toe, precies op het moment dat ik mijn renschoenen om moet binden. Het helpt ook al niet dat het winderig is en het misschien gaat regenen, terwijl ik normaal gesproken toch houd van onstuimig weer.

Ik heb helemaal geen zin om naar buiten te gaan! Maar als je toegeeft aan dit soort grillen, dan weet je zeker dat je binnen de kortste ziek wordt. Het lopen houdt mijn weerstand nou juist op peil. Dus kleed ik me om. Op de valreep zet ik nog wel een muts op, omdat ik echt geen zin heb in een hagelbui op mijn blote hoofd.

Het blijkt prachtig weer te zijn. Fris, maar lekker. Toch kan die frisheid mijn lichaam niet werkelijk activeren. Het wordt de langzaamste duurloop die ik de laatste tijd heb gelopen. Wel let ik er op dat ik mijn techniek niet laat verslonzen. Ik loop rechtop met reactief voetenwerk. Dan mag het langzaam gaan.

Zelfs verkort ik de loop van de 19 die ik in gedachten heb naar 15, want het gaat veel trager dan voorzien. Zolang ik maar bij anderhalf uur in de buurt kom, want dat gebiedt mijn schema.

Het is maar goed dat ik besloten heb om nog voor een laatste keer mijn oude schoenen aan te trekken. Met zo’n loop wil ik mijn nieuwe niet inwijden. Die moeten niet het idee krijgen dat ze het alle dagen zo rustig zullen krijgen.

Loopgroep, meer stront en nieuwe schoenen

Dinsdag 16 januari. Nog 96 dagen tot de marathon van Londen

Dinsdagavond is het trainingsavond, dat is vaste prik. Die dag probeer ik op tijd thuis te zijn van mijn werk, zodat ik rond half vijf wat pasta kan eten. Daarna werk ik nog wat en kijk tv tot kwart voor acht, waarna ik me omkleed en naar het park loop, hier precies een kilometer vandaan. Daar komt de dinsdagavondloopgroep bijeen in het Hijgende Hert, de keet bij het hertenkamp die we als thuisbasis hebben.

Maar vandaag loopt het net even anders. Miriam is nog steeds ziek, dus ik ga eerst naar de paarden om de nodige mest te scheppen. Terwijl de rest van de ruinen over het hek aan het snacken zijn recht uit de baal kuil, wat natuurlijk eigenlijk niet de bedoeling is, en Assa, de drachtige merrie, daarbij toekijkt zonder dat ze ergens aan mag komen, drentelt Sprettur een beetje om me heen in de hoop dat hij een brokje krijgt. Als hij vreselijk zijn best doet om wat plas naar buiten te persen, waarvoor hij meestal wordt beloond, haal ik snel even wat voor hem. Dat heeft hij verdiend.

Zo’n paard dat je steeds maar achtervolgt waar je ook gaat met de kruiwagen maakt het uitmesten toch wat leuker. En dat is nodig, want er ligt meer dan gewoonlijk. Miriam was gisteren blijkbaar zo ziek, zwak en misselijk dat ze lang niet alles heeft zien liggen. Het resulteert in twee overvolle kruiwagens, die ik door de modder moet sleuren. Want na een paar droge dagen is het gisteren weer gaan regenen, wat de wei direct in een soort meer heeft veranderd. Maar vandaag heb ik geen zware tocht van dertig kilometer achter de rug, dus is het geen probleem. Ik ben al lang blij dat het alleen maar nat is op de grond en dat het niet ook nog uit de lucht komt vallen.

Door dit uitstapje ben ik veel later thuis dan normaal, dus eet ik minder. Dat ligt straks tijdens het rennen alleen maar zwaar op mijn maag. Tijdens het koken en na het eten moet ik bovendien nog wat werken, want op de wei kreeg ik een telefoontje en een paar mailtjes die niet kunnen wachten. Daar ben ik tot een uur of 7 mee zoet. Nog bijna een uurtje om me op de bank voor te bereiden.

Eenmaal in het park zijn er nog 5 lopers komen opdagen. Dat is mager, maar toch is vrijwel de hele vaste kern van snelle lopers present. En dat is belangrijk, want het opjutten van elkaar is een belangrijk onderdeel van het succes van de snelle dinsdaggroep. Je wordt echt beter van samen lopen.

Eén van hen heeft afgelopen weekend Egmond gelopen en hij moet vertellen hoeveel mensen hij heeft moeten inhalen. Ik weet nog van vorig jaar hoe vervelend dat was op een strand, waar iedereen op het smalle goed begaanbare deel loopt. Als snellere loper zit er dan niets anders op dan er omheen te gaan door het mulle zand.

Een training bestaat uit een aantal vaste onderdelen die Geurt, onze trainer, voor ons heeft voorbereid. Eerst een kilometertje rustig opwarmen, dan wat oefeningen op de plaats die alle spieren in het lichaam activeren. Daarna komen een aantal core oefeningen, dit keer met een elastiek om de voeten. Vervolgens techniek, waarbij Geurt ons een loopstijl probeert aan te leren die zo min mogelijk kracht vergt en zo veel mogelijk snelheid oplevert.

Dan is het tijd voor het gevreesde hoofdonderdeel, de looptraining. Die is elke keer anders, maar bestaat steevast uit series. Dit keer moeten we drie maal tweehonderd meter rennen in ongeveer 42 seconden, met korte pauzes ertussen. Daarop volgt een hele minuut pauze, waarna we zeshonderd meter op tempo moeten rennen. Natuurlijk gaat het ietsje sneller dan hij heeft voorgeschreven, ook dat is vaste prik.

Dat doen we vier keer, en steeds gaat het ietsje sneller. We eindigen met een sprint. Ik vind het fijn dat we die sprint doen op de 600 meter, want op die afstand hoef ik maar één loper voor me te dulden.

Als de afsluitende sprint gaat over 100 of 200 meter, loopt vrijwel iedereen me voorbij. Mijn kwaliteit zit niet in pure snelheid, maar in duur en uithouding. Alleen Wijnand is daarin beter. Die is het afgelopen jaar als loper nog veel harder gegroeid dan ik. Maar hij is dan ook een natuurtalent en zowat 15 jaar jonger, dus ik neem er geen aanstoot aan.

Ik vind het heerlijk in zo’n snelle groep jongens over straat te denderen. Dat genot komt deels van het contrast met hoe ik er steeds weer tegenop zie, omdat ik van tevoren bijna zeker weet dat ik ze niet zal kunnen bijhouden, waarna de tempo’s van 3:30 per kilometer gewoon comfortabel blijken aan te voelen. Ik kom prima mee.

Na de laatste sprint geven we elkaar high fives, een ritueel dat mij vreemd is maar dat toch prettig voelt. We laten ermee duidelijk aan elkaar blijken dat we het samen hebben gedaan en dat we waardering hebben voor de ander en zijn prestatie.

Na de uitloopkilometer rekken en strekken we nog even, waarna de training is afgelopen. Dan ren ik nog even met Geurt mee om mijn nieuwe schoenen op te halen die vandaag binnengekomen zijn. Dat is belangrijk voor de rest van de week. Het moet maar eens gedaan zijn met die blaren.

En het is gedaan voor vandaag. Tijd om te douchen!

Helletocht om de Kralingse Plas

Maandag 15 januari, rustdag. Nog 97 dagen tot de marathon van Londen

Stront scheppenIn 2003 liep ik mijn eerste marathon. Vóór die tijd had ik wel een paar periodes gekend dat ik regelmatig rende, maar het was de eerste keer dat ik enige ambitie toonde. Hoe misplaatst die ambitie ook was. Want ik liep op dat moment niet verder dan 10 km en bedacht me tijdens zo’n hardloopsessie, waarschijnlijk zo rond kilometer 7, dat, als ik dit zo volhield, die marathon een eitje zou zijn. Volslagen van de ratten besnuffeld!

Ik schreef me in voor Rotterdam en heb daar ook daadwerkelijk voor getraind. Toch zeker een paar keer in de week en in het weekend net wat verder. Een week voor de marathon deed ik een echte proef, 20 km! Dat is een rampenschema en ik hoef nauwelijks te vertellen dat de marathon zelf een uiterst pijnlijke ervaring werd.

Bij kilometer 10 was ik nog vol goede moed. Ik versnelde zelfs en haalde wat mensen in omdat ik vond dat het te langzaam ging. Maar die bravado ging er 15 kilometer verderop, op de Erasmusbrug, definitief vanaf. Daar stond niet alleen Miriam me op te wachten om me aan te moedigen, maar ook de onverbiddelijke man met de hamer.

Die brug is heus niet zo vreselijk hoog, maar het werd een moeizame klim en bovenaan drong het pas echt tot me door dat een marathon niet een simpele optelsom is van vier rondjes van tien kilometer. Een marathon was ineens nog 17 hele kilometers terwijl de 25 kilometer ervoor het beste er al van hadden afgehaald. Met loodzware benen dus, die elke meter, stap voor stap voor stap, zelf moesten afleggen!

Het rondje om de Kralingse Plas werd dan ook een helletocht. In mijn geheugen gegrift staat nog steeds het beeld van een kleine vrouw van boven de 50 die me steeds voorbij kwam stiefelen, waarna ik haar weer inhaalde als ze even ging wandelen. Als iemand me een week ervoor had verteld dat zij even snel kon rennen als ik, dan had ik die persoon voor gek versleten en ik had de voorspelling weggewimpeld. Ik was dan ook verbijsterd dat ik haar niet kon afschudden. Maar ik kon echt niet sneller. Ik kon helemaal niet meer!

Die keer deed ik maar liefst vier uur en elf minuten over de wedstrijd. Maar het jaar daarop schreef ik me opnieuw in. Toen had ik precies dezelfde tijd nodig, maar deelde ik mijn loop beter in en kon ik in de laatste kilometers versnellen. In de daarop volgende jaren haalde ik er steeds tijd vanaf. van 4:11 ging het naar 3:50. Van 3:50 naar 3:45. van 3:45 naar 3:40. Van 3:40 naar 3:25.

Ik ontdekte dat er op internet schema’s te vinden waren waarmee ik me veel beter kon voorbereiden en in aanloop naar de marathon liep ik wedstrijden van 10, 15 en 21 kilometer. Vanaf 14 februari, de verjaardag van een vriend, rookte ik niet en dronk ik nauwelijks. Het werd een serieuze hobby.

Toch stokte de gestaag opgaande lijn bij 3 uur en 15 minuten. Die tijd liep ik in 2012 in Utrecht. Wat ik daarna ook deed, het lukte me maar niet daarbij in de buurt te komen. Steeds bleef ik rond de 3:20 steken. Twee keer leed ik in Leiden, de ene keer met te veel wind, de andere keer in de hitte. Een keer probeerde ik het in Zwolle; het was leuk om daar met gebalde vuisten over de finish te komen, maar de tijd viel tegen. Een keer liep ik de Midwintermarathon in Apeldoorn; het sneeuwde en het is daar toch precies te heuvelachtig voor een scherpe prestatie. Utrecht deed ik opnieuw in 2015, zonder succes.

Mijn doel was heel bescheiden. Ik wilde alleen maar 3:11 halen, een vol uur sneller dan die allereerste pijnlijke keer. Dat beschouwde ik als een eervolle bekroning van mijn marathonloopbaan.

Maar intussen is die ambitie achterhaald. Vanaf einde 2015 ben ik in een loopgroep intensiever gaan trainen en in het voorjaar van 2016 liet ik 3:08 noteren. Toen begon ik zelfs stiekem te denken aan een tijd onder de 3 uur, een droom die ik eind dat jaar definitief liet varen omdat ik me realiseerde dat ik nooit van mijn leven zo hard zou kunnen lopen. Een half jaar later in Rotterdam liep ik de marathon in 2:57:11. En in Londen wil ik daar nog één keertje onderdoor.

Voorlopig dan. In ieder geval voor ik 50 word.

Pleisters plakken en stront scheppen

Zondag 14 januari, 98 dagen tot de Marathon van Londen

Stront scheppenHet slijten van mijn schoenen gaat altijd weer sneller dan ik verwacht. Mijn huidige paar heb ik toch pas in september gekocht? Maar ik krijg alweer blaren op mijn voeten doordat er slijtplekken zijn ontstaan aan de binnenkant. Gisteren tijdens die halve marathon heb ik zelfs een wondje opgelopen, net achter mijn kleine teen.

Ik heb al nieuwe schoenen besteld, maar die komen morgen pas aan. Dus zal ik de lange duurloop van vandaag gewoon op mijn oude paar moeten lopen. Ik plak een grote pleister op de buitenkant van mijn rechtervoet en nog een aan de binnenkant, want daar voelt het ook niet helemaal lekker.

Voor vandaag heb ik een route uitgekozen van 27 kilometer. Met de snelheid die ik van plan ben aan te houden moet die me 2:30 uur op de straat houden. Ik snijd dan een stuk van drie kilometer af van een route die ik wel vaker loop.

Maar al bij de tweede kilometer gaat het vreselijk mis. Ik loop bijna een halve minuut per kilometer sneller dan gepland, en ik zie niet hoe ik nog veel verder kan vertragen. Ook als ik op kilometer 7 even de wind tegen krijg gaat het lang niet langzaam genoeg, dus zal ik die drie kilometer er weer gewoon moeten aanplakken.

Wel zo leuk ook, want dat ommetje voert me langs Kasteel De Haar en dat is toch altijd weer een mooi gezicht. Verder voert de tocht langs een kanaal, over een industrieterrein, door een park langs de snelweg, door weilanden, langs boerderijen, door weer een park en over een brug die vernoemd is naar Daphne Schippers. Het is mijn favoriete ronde en de zon schijnt op de koop toe.

Als ik na 30 kilometer thuiskom heeft het alles bij elkaar ietsje meer dan twee uur en vijfentwintig minuten geduurd. En het heeft me een dot van een bloedblaar opgeleverd aan de binnenkant van mijn rechtervoet, zo blijkt als ik mijn schoenen uittrek. Gelukkig maar dat ik morgen nieuwe krijg!

Met gisteren mee heb ik dit weekend meer dan 50 kilometer gerend. Over de hele week waren het er net geen 90. Dan zou je toch wel wat rust verdienen. Maar neen, Miriam is ziek en kan niet naar de paarden. En als Miriam niet naar de paarden kan, dan moet ze zowat halfdood zijn, dus neem ik weinig rust, prik de bloedblaar door en rijd naar de wei om uit te mesten, water te pompen, kuil en brokjes te voeren. En wat ponnies te knuffelen natuurlijk, want dat geeft de burger moed.

Terwijl ik de kruiwagen door de wei sleep voel ik dat het steeds langzamer gaat. Ik begin aan het eind van mijn latijn te komen. Maar de mest kan niet blijven liggen. Want ponnies houden niet op met kakken als je hun poep niet opruimt. Dus werk ik gestaag door, zo moet er een einde komen aan het werk.

En dat blijkt. De dag is voorbij, want ik zit op de bank met een slapende kater naast me en ik tik een verhaaltje over pleisters en stront.

Halve marathon op tempo

Zaterdag 13 januari, 99 dagen voor de Marathon van Londen

rennen 13 januari 2018
Het loopt tegen 12 uur in de middag als ik mijn werk aan de vertaling van het werk van Tertullianus over de drie-eenheid laat voor wat het is en me klaar ga maken voor het rennen. Vandaag staat 1 uur en 20 minuten op het programma, in een tempo van 4:09 minuut per kilometer. Dat is best ver en best snel, dus stiekem zie ik er tegenop en vraag ik me af of ik dat wel klaarspeel vandaag, zeker nadat ik gisteravond met Rogier de nodige biertjes heb gedronken. Maar ik laat de gedachte niet op de voorgrond komen en ga me omkleden.

Intussen bedenk ik wat voor route ik kan lopen. Allereerst besluit ik er een halve marathon van te maken. Dat zal iets langer duren dan 1 uur en 20 minuten, maar dat realiseer ik me op dat moment nog niet. Met die afstand heb ik de keuze uit drie routes, waarvan er één al snel afvalt omdat ik daar geen zin in heb. Ik kies voor de saaiste route langs het kanaal, over het industrieterrein, die vervolgens overgaat in een route van 13 kilometer die ik zeker drie keer per week loop. De andere mogelijkheid is leuker, maar heeft allerlei bochten en zelfs stukken off road. Die kan ik beter morgen nemen, als ik verder en rustiger moet rennen. De route van vandaag is rechttoe rechtaan, dat past bij de opdracht van vandaag. Het wordt echt werken.

De eerste kilometer heb ik wat moeite om op gang te komen, maar mijn horloge geeft toch nog aan dat ik er maar 4:10 minuut over heb gedaan. Helemaal niet slecht, bedenk ik me en ik word wat rustiger. Mijn hartslag daalt en nu ik lekker bezig ben gaan de kilometertijden ook flink naar beneden, tot onder de 4 minuten. Ik besluit al snel om te proberen een gemiddelde snelheid neer te zetten van 4:05, want zoiets wil ik toch ook bij de marathon klaarspelen. Maar dat blijkt wat voorbarig. De weinige wind die er had ik de eerste kilometers in de rug, en als ik hem later op de kop krijg komen er de nodige seconden per kilometer bij. Toch weet weet de kilometertijden keurig in de buurt van de 4:10 te houden, behalve als ik op 15 kilometer een brug op moet, dan lever ik meer dan 10 seconden op een kilometer in.

Zulk secondewerk klinkt allemaal niet als vreselijk significant, maar om dat soort marges gaat het wel bij de marathon. Een seconde per kilometer sneller of langzamer betekent maar liefst 42 seconden winst of verlies bij de finish. Met 3 seconden sneller per kilometer kom je al uit op meer dan 2 volle minuten winst. En dat is veel.

De laatste zes kilometer heb ik de wind weer min of meer in de rug, dus kan ik lekker lopen. Bovendien komt de finish in zicht, waardoor ik me minder zorgen hoef te maken over of ik nog iets overhoud. Wel moet ik in de laatste kilometer mijn huis voorbij lopen en nog een halve kilometer doorgaan om precies te eindigen op 21,10 kilometer.

Ik finish in 1:27:09. Dat is een halve minuut sneller dan ik precies een jaar geleden liep bij de halve van Egmond. Het is moeilijk om uit te maken of dat goed is of niet. Vorig jaar liep ik over het strand en door de duinen. Bovendien startte ik redelijk achteraan, waardoor ik veel mensen moest inhalen. Zeker op de smalle duinpaden was dat geen pretje en kostte het tijd. Aan de andere kant was dat een wedstrijd, en wedstrijden halen toch meer snelheid in me naar boven. Vandaag was maar een gewoon trainingsrondje in mijn eentje.

Een trainingsmaat op Strava is in ieder geval onder de indruk. “Mooie trainingstijd!”, reageert hij. “Wordt dat je marathon pace?” Ik reageer dat het dan nog een tandje sneller moet, maar realiseer me later dat ik met deze pace keurig binnen de 2:55 finish. Heel veel sneller hoeft het helemaal niet.

Ik mag dus tevreden zijn over vandaag. En om twee uur ben ik al klaar, dus houd ik ook nog tijd over om snellere en langzamere tölt te gaan oefenen met Sprettur, onze knappe IJslandse pony. Ook die doet braaf zijn best en laat een paar heel mooie pasjes ontzettend langzame tölt zien.

Tijd om te douchen!