Vergissen is menselijk

Een recensie van Dagen op aarde van Willem Brinkman

Bij het kopen van een boek heb ik me laatst danig vergist. Ik dacht een van Willem Brakman aan te schaffen. Zo eens in het jaar komt het verlangen bij me boven om me door die schrijver eens flink te laten verrassen, en de boekenweek vond ik een mooie gelegenheid om mezelf zo’n verrassing cadeau te doen. Ik greep er echter naast, maar daar kwam ik achteraf pas achter, toen ik het boek had opengeslagen en wilde beginnen met lezen. Vanaf de binnenkant van de cover staarde me niet de grijze man met pretoogjes aan die ik had verwacht, maar een keurig gekapte en gebrilde meneer die zijn handen voor zich op een grote tafel had gelegd, achter zich een statige spiegel met bijpassende kandelaars. Daar klopte iets niet. En inderdaad.

Hoewel ik zeker behoefte had aan de snedige taal en absurde verhaallijnen van Brakman, nam ik de vergissing op het moment zelf niet al te zwaar op. Debutanten moeten toch ook een kans krijgen. Bovendien wilde ik me laten verrassen en wat dat betreft was dit een buitenkans. Welwillend begon ik te lezen.

Dagen op aarde van Willem Brinkman gaat over een wetenschapper, Van Marum geheten, die zich veel moeite getroost om toegelaten te worden tot een schimmig genootschap. Dat genootschap moet deuren openen en middelen verschaffen, zodat hij op een wetenschappelijk verantwoorde manier het bestaan van God kan bewijzen. Op zich is dit een aardig gegeven dat genoeg kansen in zich bergt. Verder doet het boek in het begin kafkaësk aan, soms zelfs enigszins brakmaniaans in zijn absurditeit. Daar houd ik van, dus ik gaf het wederom het voordeel van de twijfel en las door. En het moet gezegd, Willem Brinkman laat zien dat hij af en toe best leuke literaire ideetjes heeft. Een voorbeeldje kan dit verduidelijken. In het eerste deel wordt een rechte weg tot aan de horizon ter sprake gebracht, waarna verder wordt gemijmerd over de vraag of die weg achter de horizon op dezelfde voet door zal gaan of niet. Aan het slot van het boek wordt hierop teruggegrepen in de vorm van een rechte rij gepote aardappelen die de wereld zou kunnen omspannen, iets waar een jongere Van Marum in had kunnen geloven. Het klinkt misschien vreemd, maar het laat keurig de gemoedstoestanden zien die Van Marum voor en na zijn zoektocht beheersen. Een mooie vondst, dat geef ik toe. Jammer genoeg kunnen zulke mooie vondsten het boek niet redden. Daarvoor is meer nodig dan leuke ideeën die je zonder pen in de hand kunt bedenken. Voor het redden van een boek is taalbekwaamheid nodig, liefst taalvirtuositeit, iets wat hier in geen velden of wegen is te bekennen. Naarmate ik vorderde in het boekje van Willem Brinkman begon ik zelfs steeds meer te denken in termen van taalgestuntel. En taalgestuntel is fataal voor een verhaal. Want hoe leuk of interessant een verhaal ook is, als het is gevat in klungelige taal kun je het net zo goed weggooien. Een verhaal bestaat namelijk uit taal, en uit niets anders dan taal. De taal is het materiaal waaruit de schrijver zijn verhaal creëert. In taal moet hij het verhaal neerzetten, taal moet het aan alle kanten dragen en daarom moet de taal alle aandacht krijgen. Maar Willem Brinkman geeft er geen moment blijk van dat hij dit begrijpt. Zijn taal ondersteunt het verhaal niet, zijn taal belemmert het alleen. Geen moment heeft hij ook maar de intentie om de lezer bij de lurven te grijpen met een scherpe observatie gevat in een scherpe zin. Hij klungelt zich door de alinea’s. Het boek had amusant, ontroerend, diepzinnig en zelfs verheffend kunnen zijn. Maar dat is het niet. Het is flut en flop. Ik had het gevoel dat ik drie dagen in een entoenentoen-verhaaltje had zitten lezen van een tienjarige scholier, waar ik overigens wel bijna twintig euro voor had neergeteld. Aantoonbaar feit is in ieder geval dat toen het meest prominente woord is in het boek, af en toe afgewisseld met een vergelijkbaar nadat. Als ongetwijfeld discutabel bewijs hiervoor sla ik een willekeurige pagina open, het begin van deel III. Op de ruim vier pagina’s die volgen lees ik zeven maal toen en vijf keer nadat. Toen staat maar liefst vier keer aan het begin van een alinea, nadat twee keer. In mijn ogen is dit er een aardige aanwijzing voor dat Willem Brinkman niet altijd op zoek is naar de meest elegante oplossing, zoals het een goed schrijver betaamt, maar genoegen neemt met wat hem zo snel voor de voeten komt, een onvergeeflijke fout. Of hij is gewoon niet creatief met taal, wat voor een schrijver dan weer een onoverkomelijk tekortkoming is. En het is niet zo dat die woordjes me alleen in dit deel opvielen. Tegen de tijd dat ik hier was aanbeland irriteerden ze me al geruime tijd als fikse kiezels in mijn schoen. Bovendien is dit slechts een voorbeeldje, het topje van de ijsberg.

Ik begrijp natuurlijk best dat knulligheid ook een kwestie is van smaak. Sommige mensen vinden knullige taal leuk om te lezen, en waarom zou je hun dat plezier misgunnen? Maar in dit boekje blijft het niet bij knulligheid. In de onderhavige passage staan, buiten een groot aantal zinnen die op het randje zijn, in ieder geval twee zinnen waarin misdaden worden gepleegd tegen de grammatica. U zult begrijpen dat ik ze hier niet voor u kan oplepelen, aangezien ik geen toestemming heb van de uitgeverij om zinnen over te nemen, maar als u me er om vraagt zal ik ze zonder dralen geven. En iedereen die een beetje gevoelig is voor taal komt ze vanzelf tegen.

De taal is overigens niet het enige wat er mis is in dit boek. Veelbelovend als het verhaal er uitziet aan het begin, zo teleurstellend is het slot. Zelfs de uitkomst van het verhaal laat Willem Brinkman dus in het water vallen. De hoofdpersoon is op zoek naar bewijzen voor het bestaan van God. Het zou toch mogelijk moeten zijn om met dit gegeven iets verrassends te bedenken. Maar Willem Brinkman weet alleen een wagenwijd openstaande deur in te trappen. De hoofdpersoon vindt namelijk geen enkel wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van zijn God, precies zoals je zou verwachten. Hij raakt alleen maar verder verstrikt in het drijfzand van zijn eigen doorzettingsvermogen en ijver, tot hij zijn verstand verliest en uiteindelijk overhoop wordt geschoten. Zijn voortijdige dood beroert de lezer echter niet. Willem Brinkman heeft verzuimd om het slachtoffer tot leven te wekken, dus zijn sterven laat ons volkomen koud. En met de dader voelen we ons al evenmin verbonden. We nemen het gegeven als gegeven aan en slaan het boekje dicht.

Overigens ben ik mij ervan bewust dat het feit dat ik dit allemaal zeg onrecht doet aan het idee achter dit boek, dat er in dit stuk tot nu toe maar bekaaid vanaf is gekomen. Misschien is het verhaal een verwijzing naar de godsaanwijzers van Intelligent Design, die net als Van Marum het wetenschappelijke pad zeggen te bewandelen (Willem Brinkman vindt ongetwijfeld dat ze de wetenschap hiervoor misbruiken en zij zijn waarschijnlijk het werkelijke doelwit van zijn boek). Het lukt Van Marum echter niet, in (schijnbare) tegenstelling tot zijn toekomstige broeders, om op dat wetenschappelijk pad te blijven. Hij wordt er telkens vanafgedwongen naar het gewone leven, waar hij natuurlijk alleen maar gewoon levende mensen tegenkomt en onder hen zijn vanzelfsprekend alleen bewijzen te vinden voor het leven, niet voor God. Aan het eind van zijn zoektocht geeft Van Marum eindelijk toe en gaat dan maar gewoon leven tussen die gewone mensen. Inderdaad, Intelligent Design verdient geen voorvolging. En daar kan het boek toch daadwerkelijk keurig naar verwijzen, zult u zeggen, en ik geef u gelijk. Maar alweer schort het aan de uitwerking. De reis van Van Marum bestaat uit een groot aantal ontmoetingen, een heel groot aantal ontmoetingen. Maar daarvan worden er relatief weinig bij name genoemd en alleen de eerste wordt naar redelijke tevredenheid uitgewerkt, de ontmoeting met de dominee. De rest is slechts vluchtig en beklijft niet. En zelfs al heeft de schrijver hiermee uit willen drukken dat Van Marum die ontmoetingen helemaal niet wil, omdat hij alleen op de wetenschap gericht wenst te zijn en ze dus als het ware wegwimpelt, dan nog breng ik daar tegenin dat die ontmoetingen heel wat aan zeggingskracht hadden kunnen winnen als de schrijver de moed had opgebracht om een langer boek te schrijven. Maar blijkbaar is hij de snelweg op gegaan, lekker makkelijk, terwijl er op de zijweggetjes veel meer te beleven valt. Zeker voor de lezer, voor wie hij in feite toch schrijft, mag ik hopen. En als dat laatste niet het geval blijkt te zijn, dan kan hij wat mij betreft helemaal inpakken.

Trouwens hoeft u me in dit geval niet alleen op mijn woord geloven. Een andere recensent zegt ongeveer hetzelfde in haar overigens positieve reactie. Volgens haar was het alsof de schrijver er tegen het einde van het boek geen zin meer in had. Die dacht blijkbaar (nu leest u weer mijn fantasie): “Nou ken ik dat literaire trucje wel, nou wil ik eindelijk eens een boek geschreven hebben.” Kennelijk was hij bang voor een beetje werk. Of liever gezegd, veel werk, heel veel werk, angstaanjagend veel werk, ik geef het toe, maar niettemin werk dat hij heeft verzuimd te doen.

U zult begrijpen dat ik het iedereen ten zeerste afraad om dit boekje te kopen. Laat het gerust op de stapels in de winkels liggen. Ook hoeft u het over een paar jaar niet mee te nemen uit De Slegte, zelfs niet als cadeau. Het is genoeg dat ik er zoveel tijd aan heb gespendeerd. In mijn geval ging het zelfs nog verder. Om mezelf een beetje meer te martelen googelde ik Willem Brinkman en vond ik op de site van zijn uitgeverij een interview waarin hij zijn werk literatuurtheoretisch onderbouwt. Hij zet daar uiteen dat een roman een gesloten systeem is waarin niets zomaar mag gebeuren. Wat dat betreft is hij een toegewijd volgeling van W.F. Hermans, al eert hij niet wie ere toekomt. In een boek mag er geen mus van het dak vallen zonder dat het betekenis heeft, aldus Hermans, tenzij de schrijver aan wil tonen dat het niets betekent als er een mus van het dak sodemietert. En Hermans was het vooral om de toevoeging te doen, aangezien de mus uit het eerste deel internationaal al lang een bekende en geaccepteerde vogel was, een vogel die nu blijkbaar ook op de schouder is gaan zitten van Willem Brinkman. Een roman behoort een zelfstandig systeem te vormen, een eenheid waarin alles met alles samenhangt en waarbinnen alle vragen die worden opgeroepen kunnen worden beantwoord. Willem Brinkman heeft precies dit principe in de praktijk willen brengen, een streven waarin hij keurig is geslaagd. Daar mag hij trots op zijn. Ik feliciteer hem. Alleen wil ik hem er fijntjes op wijzen dat zo’n zelfstandig systeem niet direct ook literatuur is, net zo min als ongestructureerd geëxperimenteer automagisch literatuur oplevert, of expliciete taal over vrouwen en drugs altijd leuk is om te lezen. Alleen in handen van een bekwaam schrijver is het mogelijk dat zulks tot literatuur wordt verheven. Wij weten nu dat Willem Brinkman daarmee buitenspel staat. Al ziet hij dat zelf heel anders. Hij lijkt zelfs aan grootspraak te doen, zijn uitspraken liegen er niet om. Verderop in het interview breekt hij daarmee mijn klomp, hij trekt mijn broek op mijn enkels en laat me versteld achter. Waar haalt een onhandig auteur als Willem Brinkman het idiote lef vandaan om laatdunkend te spreken over een schrijver als Jeroen Brouwers!? Dat is toch het toppunt! Begrijp me hier niet verkeerd. Iedereen mag van Jeroen Brouwers vinden wat hij wil, maar niemand kan er aan twijfelen dat hij schrijven kan. In zijn geschriften zul je geen zinnen tegenkomen waar niet over is nagedacht. Compositorisch zitten zijn boeken ingenieus in elkaar, of je ze nu graag leest of niet. En lang genoeg zijn ze ook. Kom daar maar eens om bij Willem Brinkman!

Maar die jonge schrijver in zijn eigenwaan, die niets heeft gepresteerd, die heeft voor de gevierde Jeroen Brouwers niet méér over dan het magere predicaat ijverig. Waarna hij schamper lacht. Vervolgens verwijst hij gedecideerd nog meer literatuur naar de vuilnisbak. Misschien heeft hij daarin gelijk en horen de schrijfsels waar hij over spreekt thuis bij het afval, wie weet. Maar als we toch aan het opruimen zijn, kunnen we ons in een moeite door ook van zijn boekje ontdoen, samen met de oude koffiefilter, het lege melkpak en de afgekloven kippenbotjes van gisteravond. Opgeruimd staat netjes. Dan kan ik nu eindelijk naar de boekhandel om weer een ander boek te kopen, dit keer wel echt een van Willem Brakman.

Dit bericht werd geplaatst in Over boeken en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s