Tijd en tijdreizen

Ooit heb ik heel lang en hard nagedacht over tijd. Dat kwam door The Timemachine van H.G. Wells. Van het plot van die roman kan ik me niet bijster veel herinneren, maar dat er in de wereld van het boek een tijdmachine bestaat, dat vond ik vreselijk intrigerend. Alleen hoe langer ik me er mee bezig hield, hoe zekerder ik werd van mijn zaak: wat in dat boek gebeurt heeft nooit zo plaats kunnen vinden, zelfs niet in die fictionele wereld waarin een tijdmachine bestaat. Volgens mij heeft de schrijver cruciale beoordelingsfouten gemaakt bij het visualiseren van wat er in die wereld mogelijk is.

De sleutelscène is voor mij de vlucht van de hoofdpersoon naar de toekomst. Er zitten mannen achter hem aan die hem kwaad willen doen, dus gaat hij er vandoor. Hij gaat naar de tijdmachine en ontsnapt naar de toekomst. Dat is tot daar aan toe. Dat is het verhaal. Maar het gaat mis als hij daadwerkelijk reist in de tijd. Tijdens zijn tocht kijkt hij door het venster van de cabine naar de voorbijglijdende tijden. Dat schouwspel wordt hem als een versnelde opname getoond. En daar zit hem de kneep. Want als hij naar de tijden kan kijken die zich versneld voor hem ontrollen, dan zouden de tijden naar hem moeten kunnen terugkijken. Voor die tijden zou hij dan een man in een tijdmachine zijn, die maar heel erg traag beweegt, die voor het oog van de verbaasde toeschouwer zelfs helemaal stilstaat.

En als hij werkelijk doorheen alle tijd gaat, dan moet hij dus ook doorheen de momenten dat zijn achtervolgers de kelder met de machine binnen komen snellen om hem te grazen te nemen. Als hij namelijk zijn achtervolgers kan zien, dan zien zij hem en grijpen ze hem. Ze hadden hem dus gewoon aan moeten treffen, helemaal verstild, zo langzaam bewegend dat hij er een eeuw over doet om met zijn ogen te knipperen.

Met zijn vlucht zou hij het zijn vijanden gemakkelijk hebben moeten maken, maar de werkelijkheid van de roman gooit roet in hun eten. Wells heeft ervoor gezorgd dat de hoofdpersoon zich uit de voeten kan maken en de achtervolgers blijven met lege handen achter.

Van die roman kon ik zo’n foutje best accepteren, natuurlijk, want het verhaal moet nu eenmaal voortgang vinden. Maar ondertussen had ik zoveel moeite gedaan om er achter te komen waar het foutje precies zat, dat ik niet meer kon stoppen met denken. Ik moest zien uit te vinden hoe het dan wel had gemoeten. En dat is lang niet makkelijk als je niet de simpele manier van professor Barabas wilt kiezen, die zijn proefkonijnen gewoon door ruimte en tijd laat vliegen. Want wat je bedenkt, moet je kunnen visualiseren als je het vertelt.

Om nader te onderzoeken hoe dat zou kunnen liep ik kilometers in het rond om na te denken over tijd. Al snel werd me duidelijk dat vooruit reizen in de tijd een heel andere tak van sport is dan achteruit reizen en dat het dus een heel andere machine vereist. Vooruit is makkelijk. Wil je vooruit, dan hoef je jezelf alleen maar stil te zetten en de tijd voorbij laten gaan, dan duurt het in je eigen beleving niet lang voordat je ver in de toekomst bent. Je kunt bijvoorbeeld kiezen voor invriezen, wat in science fiction al veel wordt gepraktiseerd. Nadeel daarvan is natuurlijk dat je te maken krijgt met vervelende bevriezingsverschijnselen, maar dat is een praktisch probleem dat ik graag overlaat aan de experts. Mij gaat het om de principes en het principe van vooruit reizen is simpel. Je zou zelfs kunnen zeggen dat we continu vooruit reizen in de tijd, alleen doen we dat met z’n allen even snel, waardoor het niet opvalt.

Achteruit reizen is een veel grotere uitdaging. Als vooruit reizen stilstand vereist, leek het me logisch dat je voor achteruit reizen snelheid nodig hebt. Ook dat is in een science fiction-serie eens keurig verbeeld. De bemanning van een groot ruimteschip was na een lange reis op bestemming aarde aangekomen, de thuisplaneet. Maar we spreken hier over een verre toekomst en over mensen die de aarde nog nooit hadden gezien en die dus niets afwisten van haar geschiedenis. Omdat ze er geen geschiedenisboeken op na konden slaan, werden er kleine excursies georganiseerd naar het verleden. En inderdaad, zij gingen terug naar vroeger tijden door hun jachtruimteschepen vreselijk snel te laten vliegen. Dat was een mooi gezicht, maar het ontging me hoe het precies werkte en daar hebben mijn hersenen voor gekraakt en gepiept.

Ik kon maar niet begrijpen hoe je naar het verleden kon, al was het maar fictief. De tijd gaat nu eenmaal vooruit, dat is een onontkoombaar gegeven en dus zit die tijd zelf het tijdreizen behoorlijk in de weg. Zo worstelde ik met het concept, tot het, in een plotseling moment van inzicht, tot me doordrong dat tijd helemaal niet hoeft te bestaan. Dat zou het probleem een stuk eenvoudiger maken. Want als tijd niet bestaat, dan hoef je er geen rekening mee te houden. Dus ging ik op het standpunt staan van waaruit tijd niet werkelijk is. Gezien vanuit dat perspectief bleek dat je tijd kunt afleiden uit beweging van objecten in de ruimte. Vanuit dat gezichtspunt is tijd dus helemaal geen grootheid, maar een afgeleide. Van daaruit is tijd slechts een constructie die door ons mensen is bedacht om verandering te kunnen begrijpen. Verandering wordt veroorzaakt door beweging in de ruimte om ons heen. We zien het allemaal bewegen en bedenken tijd om die chaotische brei van waarnemingen, herinneringen en verwachtingen aaneen te kunnen rijgen tot een lopend verhaal. En omdat ons dat ordenen zo goed afgaat, met zo’n goed resultaat, denken we dat die vrucht van onze fantasie ook werkelijk bestaat. Terwijl alleen bestaat wat nu is en verder niets.

Dat tijd inderdaad geen werkelijke grootheid vormt, is zelfs af te lezen van de klok. De klok geeft de tijd aan door middel van beweging, door niets anders. Dat duidt er onomkeerbaar op dat tijd voortkomt uit beweging. Een andere mooie aanwijzing komt uit de volksmond. Als we zeggen dat de tijd ergens heeft stilgestaan, dan is er daar wel degelijk tijd voorbij gegaan. Alleen heeft de samenleving in de tussentijd niet bewogen. Zonder beweging gaat er geen tijd voorbij. Keiharde bewijzen zijn het natuurlijk niet, maar het zijn wel aanwijzingen, op grond waarvan we de propositie dat tijd niet bestaat even voor waar aannemen. Om vervolgens verder te kijken en nader te onderzoeken wat er gebeurt als tijd inderdaad niet bestaat.

Om ons onderzoeksterrein te verkennen vragen we ons eerst maar eens af wanneer de tijd werkelijk stil staat, niet alleen in de volksmond. Het antwoord daarop is simpel. De tijd staat helemaal stil als er geen enkele beweging is, dus als elke trilling tot stilstand is gekomen en geen enkele foton meer energie overbrengt, de temperatuur van het heelal is tot het absolute nulpunt gedaald. Met een beetje fantasie is dat experiment makkelijk uit te voeren, maar daarmee staan we pas aan het begin van onze zoektocht. We willen namelijk achteruit in de tijd en daarvoor moeten we nog een stapje verder gaan. Daarom zetten we het heelal voorzichtig weer in beweging. Ergens is weer een frequentie te bespeuren, er is weer een foton, één nog veel kleiner deeltje, de temperatuur loopt op tot 0.0Ø1 Kelvin. Er is beweging, dus herneemt de tijd zijn loop.

Ik dacht mezelf verder te helpen met het gedachte-experiment van Einstein met die tweelingbroers, waarvan er één de ruimte in ging en de ander op aarde bleef. Toen de broer uit de ruimte terugkwam, nog jong en sterk, bleek zijn wederhelft al oud en bejaard. De tijd op aarde was sneller gegaan dan in de ruimte op zowat lichtsnelheid. Geruststellend aan dat experiment was dat de tijd voor beide broers niet gelijk liep, waardoor het aannemelijk werd dat tijd inderdaad geen vaste grootheid is. Vaste grootheden zou je immers meer met constanten en vaste referentiepunten associëren. Hier leek echter vooral de mens het referentiepunt te zijn, precies zoals ik al dacht. Alleen was het een behoorlijke domper dat de broer die op snelheid door de ruimte had gevlogen vooruit in de tijd was gereisd, terwijl snelheid voor mij juist het aangewezen middel was waarmee je terug kon gaan. Gelukkig heb ik die moeilijkheid snel weten te ontmaskeren als gezichtsbedrog. De man in de ruimte had wel degelijk langzamer bewogen, hoe snel hij ook bewoog ten opzichte van zijn broer. De relativiteit probeert ons daar een flinke loer te draaien, maar toch is het duidelijk dat hij zich minder snel ontwikkeld had, dat hij minder was afgetakeld, minder had meegemaakt, minder was veranderd dan zijn broer. Dat is bewijs genoeg voor zijn vertraging.

Snelheid bleef een mogelijkheid om terug te gaan in de tijd. Daarvoor moet die broer gewoon nog veel sneller. Om terug in de tijd te gaan moet hij sneller dan het licht. Door die barrière moet hij heen. Volgens geleerden is dat onmogelijk, maar dat is alweer een praktisch probleem, dat overigens in Star Trek al eens naar redelijke tevredenheid is opgelost. Maar dit keer moet het nóg sneller, op naar de volgende hindernis. Sneller en sneller gaat hij, sneller en sneller, tot hij de tijdbarrière tegenkomt. Dan legt hij een meter af in nul seconden. Dat is een onvoorstelbare snelheid, en juist daarom in fictie niet te onderschatten. Want nu rijzen er ineens wel praktische problemen die de voortgang van het verhaal in de weg kunnen staan. Leg je namelijk een meter af in nul seconden, dan ben je in diezelfde nul seconden ook 35 duizend lichtjaar verder, dat maakt geen verschil. Op dat moment ben je zelfs overal tegelijk op de baan die je gaat. En dat kan lastig worden, want probeer dan maar eens niet met jezelf in botsing te komen, dat zal me een schokgolf geven!

Om problemen te voorkomen nemen we die hobbel met zo’n geweldige versnelling dat het ruimteschip er niets van merkt. Natuurlijk zijn daar voorbehouden op te maken, maar met mijn pen besluit ik dat dit voldoende is om de barrière te doorbreken. En vervolgens snelt de broer niet meer voort in meters per seconde, maar in seconden per meter terug in de tijd. Aardig om daarbij te vermelden is dat hij daarbij voor het stilstaande oog drie verschijningsvormen krijgt. Een staat er aan het begin, een aan het eind en een beweegt zich daar tussenin van eindpunt naar begin, hoe sneller de beweging, hoe langzamer het wordt gezien.

Deze gedachten heb ik toentertijd proberen te combineren met een hordeloop.

Hordeloop
“Op uw plaatsen.” De spanning voerde zich op aan de zenuwen en verdween uit de spieren. Losjes zette het lichaam zich in de vereiste houding en wachtte op de dingen die komen gingen.

Om terug te reizen in de tijd moet men de tijdsbarrière doorbreken. Deze barrière bevindt zich bij een snelheid van een willekeurige afstand, in nul seconden precies. Eén meter in nul seconden, een kilometer of enkele lichtjaren, het is allemaal even snel. Als deze limiet wordt bereikt, is het voorwerp dat beweegt tegelijkertijd op elke plaats op zijn weg. Theoretisch lijkt me dat een fraai gezicht, maar aangezien de verplaatsing geen tijd in beslag neemt, krijgt het licht niet de gelegenheid om op een adequate manier op het voorwerp af te ketsen en dus is het maar de vraag of het voorwerp zichtbaar zal zijn. Afhankelijk van de grootte van het voorwerp zal het de bestaande lichtgolven echter in meer of mindere mate verstoren en zeer waarschijnlijk zal er dus een schokgolf kunnen worden waargenomen.

“Klaar.” De spieren trokken samen en brachten het lichaam in opperste paraatheid. Het hoofd gericht voor de voeten.

Indien de tijdbarrière overschreden wordt, beweegt het voorwerp niet meer in meters per seconden, maar in minus seconden per meter. Hoe harder het gaat, hoe meer seconden er per meter terug in de tijd wordt gereisd. En aangezien het voorwerp eerder op de plaats van bestemming is dan het vertrekt, beweegt het zich virtueel van finish naar start. Laat u zich hierdoor niet misleiden, het oog is een beperkt instrument. Hoe sneller het zich verplaatst van A naar B, des te langzamer ziet men het voorwerp gaan van B naar A. Tegelijk met de waargenomen beweging, is het voorwerp zichtbaar bij begin- en eindpunt. Het heeft drie verschijningsvormen op één en hetzelfde tijdstip. Hoe kan iets dit in den lijve verduren?

Een knal bracht het trommelvlies bruut in trilling en het lichaam vloog uit de startblokken. De finish kwam met grote sprongen naderbij.

Het is raadzaam de afstand beperkt te houden. Een voorwerp is van weinig nut, gisteren, in een ander melkwegstelsel.

 

Dit fragment is onderdeel van een veel groter geheel, dat verder over heel andere dingen gaat.

Dit bericht werd geplaatst in Spreuken en sproken van alledag en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s