De onherkenbare waarheid

Open brief aan Herman Philipse

Versie 2d

(download als PDF)

Geachte heer Philipse,

Het is alweer een tijd geleden dat ik via een collega uw paper ‘The Incompatibility of Science and Religion, an argument for Atheism’ (DRAFT d) in handen kreeg. In dit document toont u aan dat geloof en wetenschap niet samen door een deur kunnen, en dat de gelovige zijn geloof in de steek zal moeten laten om dat geloof te kunnen begrijpen. Na lezing moet mij een aantal dingen van het hart waarvan ik u via deze weg op de hoogte wil stellen. Maar laat ik allereerst vertellen waar ik sta in deze discussie, dat zult u ongetwijfeld kunnen waarderen. Zelf zie ik geen enkele reden om het bestaan van een hogere macht aan te nemen en ik geloof dat de Mens god heeft geschapen naar Zijn beeld en niet andersom. In die zin sta ik aan uw kant, en ik kan mij dan ook vinden in uw conclusie. Het zou inderdaad voor iedereen het handigst zijn als men iedere waarheidsclaim op mythen zou laten varen, om vervolgens de gebruikelijke riten alleen op te voeren om het leven te eren. Ook ik ben ervan overtuigd dat godsdiensten de werkelijkheid alleen maar nog onoverzichtelijker maken dan hij al is, en dat ze onredelijkheid in de hand werken. Voor ik verder ga met uw conclusie zal ik mij echter eerst over uw betoog moeten buigen. Aan de manier waarop u die conclusie bereikt, zitten namelijk een aantal haken en ogen die mij mateloos irriteren.

Om die haken en ogen aan te tonen zal ik uw betoog steen voor steen moeten omdraaien. Als leidraad daarvoor neem ik uw strategie en tactiek, die door en door logisch van opzet zijn. Na wat voorhoedegevechten over locale en globale (in)compatibiliteit en nadat u zichzelf het doel voor ogen hebt gesteld de globale incompatibiliteit van geloof en wetenschap aan te tonen, begint u met het in een hoek drijven van de gelovige lezer. Als ingang neemt u de herhaalde herinterpretaties die gelovigen loslaten op door de wetenschap achterhaalde leerstellingen. Uw strategie houdt in dat u boven alle gerede twijfel aan wilt tonen dat dat herinterpreteren niet oneindig door kan gaan. Dat einde wilt u voor ons zicht- en voelbaar maken, en als de gelovige lezer uw einde eenmaal heeft gezien, zal ook hij atheïst moeten worden. De tactiek die u gebruikt is er een van dilemma’s. Steeds deelt u het te bespreken gebied op in twee delen, waar de gelovige tussen zal moeten kiezen. Vervolgens rekent u op beide slagvelden afzonderlijk af met de argumenten van de gelovige, al dan niet met behulp van nog meer dilemma’s. Een soort verdeel en heers tactiek dus.

De eerste en belangrijkste koe, bijvoorbeeld, die de gelovige bij de hoorns moet nemen, is een dilemma dat het gehele speelveld omvat. Hij moet kiezen tussen geloof zonder, en geloof met rede. Óf geloof en vertrouwen stijgen uit boven de rede, óf geloof en vertrouwen liggen binnen het domein van de rede. Nadat die keuze is gemaakt, zult u aantonen dat het geloof op beide helften verslagen wordt door de almachtige wetenschap, die onaangedaan blijft; onaangedaan en heer en meester van het gehele domein: de enige juiste keuze. De argumenten die u vervolgens geeft zijn strak geordend en wijzen allemaal keurig naar uw doel en conclusie.

Het krijgsplan dat hieraan ten grondslag ligt is het volgende. U wilt met uw argumenten een web om de gelovige heen spannen waar hij niet aan kan ontsnappen. Al zijn argumenten slaat u hem uit handen nog voordat hij eraan kan denken om ze te gebruiken. Op het moment dat u hem heeft waar u hem hebben wilt en hij helemaal aan uw genade is overgeleverd, sleept u hem onverbiddelijk mee naar uw conclusie. En als hij voor een redelijk mens door wil blijven gaan, dan moet hij die wel van u aannemen. Redelijke mensen willen we natuurlijk allemaal zijn, dus eenieder volgt u trouw. Toch zitten we hier al met een probleem, want wat is dat eigenlijk, een redelijk mens? Of liever: wat noemt u een redelijk mens? Wat is de norm waar we aan moeten voldoen om in uw ogen volwaardig te zijn? Die norm hebt u keurig onopvallend weggemoffeld in uw eerste alinea. Daar zegt u het volgende: “In our days, the credentials of science as a superior and dynamic method for fixation of belief are beyond reasonable doubt.” In feite zegt u hier dat iemand die twijfelt aan de superieure kracht van de wetenschap niet redelijk genoemd kan worden. Later, binnen uw argumentatie over de eerste hoorn van het eerste dilemma, werkt u dit verder uit. Daar roemt u de grote verdiensten van de wetenschap en laat u zien dat de wetenschap zaken heeft aangetoond, verklaard en bewezen die voorbij onze wildste fantasieën zouden zijn gegaan, tot en met het allereerste begin en ontstaan van ons heelal, waarmee die wetenschap de verklaringen van de religies behoorlijk te kijk heeft gezet. Zo heeft de wetenschap aangetoond dat ons melkwegstelsel niet het enige is, dat er zelfs nog miljarden andere zijn, dat ze allemaal uit de oerknal moeten zijn voortgekomen, en dat ook onze aarde daar uiteindelijk haar bestaan aan dankt. U zegt zelfs dat, zolang er geld is voor onderzoek, de voortgang van de wetenschap geen einde zal kennen en dat elke religieuze herinterpretatie daarom uiteindelijk te pakken zal worden genomen, maar misschien overspeelt u daar wel uw hand. Ik zou namelijk kunnen beargumenteren dat de wetenschap wel degelijk zijn grenzen kent. Zo’n grens doet zich bijvoorbeeld duidelijk voor in de ‘Big Bang’, die u aanvoert als de ultieme triomf van de wetenschap, ultiem omdat uw fantasie op dat punt haar grens heeft bereikt. Met die oerknal zouden onze ruimte en tijd zijn ontstaan. Maar dat er vóór die tijd geen ruimte en tijd bestonden is wel een erg makkelijke aanname, die bevestigd noch verworpen kan worden. Wel kan men over de eventuele ruimte en tijd van voor de oerknal zeggen dat ze buiten de horizon vallen van de mens, en dus buiten de horizon van onze wetenschap. En er zijn misschien nog andere zaken die buiten onze horizon vallen. Waarom zou bijvoorbeeld alleen bestaan wat zich aan onze zes zintuigen kan openbaren. In die zin zijn wij wel degelijk beperkt. Men kan het niet waarschijnlijk achten dat er meer bestaat, maar bewijzen kan men niets.

Ongetwijfeld is de wetenschap in staat om ons goede verklaringen te geven voor de zaken waar we alle dagen mee te maken hebben. Als het gaat om het onderzoeken en voor onze kar spannen van de verschijnselen in onze directe omgeving voldoet de wetenschap zelfs uitstekend. Maar diezelfde wetenschap schiet schromelijk tekort als het gaat om fixatie van geloof. De mogelijkheid bestaat namelijk dat wij als mens te klein, te groot, en te gelimiteerd zijn om alles te kunnen vatten wat bestaat. Het is zelfs boven elke redelijke twijfel verheven dat uw oneindig, eindeloos en zonder grens voortsjokkende wetenschap geen middel is om enige grens aan te tonen van wat voor soort herinterpretaties dan ook, want hoe kan iemand ooit zeker weten of er een grens is bereikt? Weet iemand wel hoe zo’n grens er uit zou moeten zien?

Ik hoef er dus alleen maar wat wildere fantasieën op na te houden dan u om uw betoog al een beetje te doen wankelen. Ik houd niet echt van wankele betogen, maar mijn ergernis en irritatie hebben een andere bron. Voor mij diskwalificeert u zich al voor u begint, en wordt uw paper ontmaskerd als een klucht en een farce. Uw doel is de uitschakeling van het geloof. Om dat te bereiken zet u het samen met de wetenschap in de ring, zodat die twee het onder elkaar uit kunnen vechten. Maar vervolgens werpt u zichzelf op als scheidsrechter, fluit alles af wat het geloof doet, en geeft de wetenschap een strafschop als die over zijn eigen benen struikelt. U gaat niet boven de partijen staan en probeert de zaak niet van twee kanten te zien. Nee, u neemt het wetenschappelijk kijken naar de wereld als uitgangspunt en norm. Die norm trekt u geen enkel ogenblik in twijfel. Het is uw vooraanname die onaangeroerd blijft, en dit lijkt me geen kritisch filosofische aanpak. Ik voel me dan ook geroepen om de handschoen op te nemen en te laten zien waar en wanneer u ten onrechte op uw fluitje blaast, en waar u ten onrechte door laat spelen.

Ik begin bij uw tactiek, die u keurig en consequent hebt uitgevoerd. Steeds komt er weer een nieuw dilemma waar niet aan is te ontsnappen. Dat mag natuurlijk ook niet. In een betoog als het uwe mag de gelovige geen enkele uitweg zien, want als de gelovige de kans zou krijgen om zich onderweg uit de voeten te maken, staat u met lege handen als u uiteindelijk uw mooie conclusie presenteert. U spiegelt ons dan ook voor dat vluchten niet mogelijk is. Als we echter nader gaan toezien, blijken er legio vluchtwegen te zijn en blijken ze ook nog eens wijd open te liggen. Daardoor verkruimelt uw argumentatie en wordt de paper gereduceerd tot een verklaring van iemand die voor wederzijdse tolerantie pleit, en voor aandacht voor het leven. Het blijkt slechts een geloofsverklaring van een atheïst die uit wil dragen dat atheïsme het beste is voor de mens, en daarin toont u zich geen haar beter dan gelovigen die door de eeuwen heen gammele maar voor tijdgenoten overtuigende betogen in elkaar timmerden om die tijdgenoten ertoe aan te zetten zich te bekeren tot bijvoorbeeld het katholicisme.

Als ik de vluchtwegen overtuigend aan kan tonen, zult u van plan moeten veranderen. Want ook al probeert u vervolgens alle aangetoonde uitwegen en vluchtroutes provisorisch af te sluiten en dicht te timmeren, dan nog zult u mij van niets anders kunnen overtuigen dan van uw goede bedoelingen. Ook in uw nieuwe betoog zullen wij namelijk uitwegen weten te vinden. Hoe grondig u ook te werk gaat, wij criticasters zoeken door met een wetenschappelijk geduld. Op den duur zouden we wel eens een uitweg kunnen vinden, en dit brengt me direct bij de eerste gapend grote vluchtweg: het woordje ‘might’ (zou kunnen), waar u op een wel zeer ongelukkig moment gebruik van moet maken.

Het woordje ‘might’ heeft jammerlijk genoeg betrekking op de wetenschap, de steun en toeverlaat waar u blindelings op vertrouwt. U beweert dat elke aanname over een god die ook maar de kleinste betrekking heeft op de werkelijkheid wel eens overtuigend zou kunnen worden afgewezen door die onverbiddelijk voortschrijdende wetenschap. Daar heeft u gelijk in, zeker, maar laten we deze bewering eens nader bekijken. Dan blijkt dat er meer gebeurt dan u wilt laten zien. Dan blijkt dat die bewering net zo goed impliceert dat het zou kunnen gebeuren dat de wetenschap een aantal zaken niet afwijst; als iets zou kunnen gebeuren, zou het natuurlijk net zo goed niet kunnen gebeuren. Tot het moment dat de wetenschap de zaken onomstotelijk vast heeft staan, is wat u zegt dus geen argument in deze discussie. Maar de bewering laat nog meer toe. Er is zelfs nog ruimte open gelaten voor mijn betoog hierboven. U neemt namelijk klakkeloos aan dat de wetenschap elk hoekje van de werkelijkheid zou kunnen beslaan, maar ik heb al buiten elke afwijzing aangetoond dat dit wel eens niet het geval zou kunnen zijn; het zou net zo goed kunnen zijn dat de uiteindelijke bewijzen voor of tegen buiten het bereik liggen van de wetenschap. Tot slot sluit de bewering de mogelijkheid zelfs niet uit dat tijdens de vooruitgang van de wetenschap het bestaan van God onomstotelijk vast zou kunnen komen te staan. Dat u dit als atheïst niet waarschijnlijk acht doet niet ter zake. Als gelovige zou ik er nu juist vast op vertrouwen.

We gaan terug naar uw betoog en uw argument dat zich bevindt in de eerste hoorn van het eerste dilemma, de gelovige zegt dat het geloof zich buiten het gebied van de rede ophoudt. Volgens u is er echter niets dat aan een verklaring kan ontsnappen. Geen enkel argument van de gelovige dat betrekking heeft op de werkelijkheid is veilig voor de wetenschap. Zijn geloof zal dus geen enkele aanspraak kunnen maken op iets wat er in die werkelijkheid gebeurt. Dit noemt u het vereiste van factual emptiness en dit neemt u als uitgangspunt voor de verdere afhandeling van de eerst hoorn. Ik liet net al het woordje ‘waarschijnlijk’ vallen. Die waarschijnlijkheid brengt u zelf letterlijk in het spel als u met wonderen afrekent. Wonderen zijn namelijk zaken die wel degelijk een raakpunt hebben met de werkelijkheid omdat wonderen nu eenmaal een uitwerking hebben op die werkelijkheid. Daardoor ziet u ze als een gemakkelijk doelwit voor uw argumenten. Deze wonderen overwint u door te argumenteren dat ze een ‘waarschijnlijkheid nul’ hebben. Ik vraag me echter af wat u precies bedoelt met nul. Is dat gewoon 0, of 0,0, of 0,00000, of is het een nul met minstens een duizendtal nullen achter de komma, of wilt u uw zekerheid zover doorvoeren dat u 0,Ø aanneemt? Uw argumentatie heeft dat laatste in elk geval nodig. Sterker nog, u kunt zich niet veroorloven hier genoegen te nemen met minder dan de volle honderd procent zekerheid. Als u ook maar érgens achter de komma een gaatje openlaat, hoe klein ook, krijgt het geloof in wonderen toch nog de kans om samen met de wetenschap door dezelfde deur te glippen. U krijgt dan namelijk problemen met het verschil in perspectief, aangezien voor iemand die in wonderen gelooft uw onzichtbaar kleine gaatje al snel de omvang heeft van, laten we zeggen, vijftig procent. Bepaald een vluchtweg om u tegen te zeggen. Als u de gelovige wilt overtuigen kunt u dus niet aankomen met waarschijnlijkheid in welke vorm dan ook. U zult zich moeten beroepen op zekerheid. Als u die zekerheid inderdaad heeft, benijd ik u. Ik zou het toch ook wel eens prettig vinden om iets echt zeker te weten. En helemaal als het gaat om de zaken waar we het nu over hebben, over zaken die zich aan de zintuigen onttrekken. Voor mij als redelijke mens zonder enige zekerheid heeft uw vereiste van factual emptiness, dat u bewezen acht, echter geen enkele grond. Zolang de wetenschap nog niet daadwerkelijk heeft aangetoond dat die religieuze proposities werkelijk onwaar zijn, weet men niet of die wetenschap ze inderdaad zal afwijzen of zal onderschrijven, aangenomen dat ze binnen haar bereik liggen. Zolang die wetenschap niets voor de volle honderd procent weet, hoeven we ons er niet om te bekommeren. En weer ontsnappen een aantal gelovigen die zich niet lieten overdonderen door uw logisch gelijk.

Ik moet echter door met het beoordelen van uw vaardigheden als scheidsrechter, en dus zal ik dat vereiste van feitelijke leegheid toch maar even van u aannemen. Zonder dat kunnen we de wedstrijd verder namelijk wel afgelasten. Ik blijf nog even luisteren, en zo komen we vanzelf uit bij uw korte afwijzing van de mystici van de via negativa en hun moderne opvolgers. Zij vertegenwoordigen op dit moment nog de enige mogelijkheid tot geloof, en ook voor hen hebt u geen goed woordje over. Volgens u geven zij zelfs vorm aan het uiteindelijke en totale verval van het geloof. Want als men geen beschrijving kan geven van de mogelijke referent van het woord ‘God’ of ‘Zijn’, heeft dat woord geen enkele betekenis en wordt de hele vraag of God bestaat betekenis- en zinloos. U let er hier natuurlijk niet op dat de semantische betekenis zich feitelijk ophoudt in het gebied van de rede. Strikt gezien zou dit argument dus thuishoren in de tweede hoorn. Buiten het gebied van de rede zijn de woorden God en Zijn daarentegen barstens vol van betekenis. Ze lopen ervan over, juist omdat ze geen betekenis meekrijgen. Ik zou zelfs kunnen beweren dat betekenisloosheid een eerste vereiste is van waar geloof. Als u dit niet ziet wordt u weer eens verblind door uw eigen thesis, en ik denk dat u dat is aan te rekenen. Want het geloof in wetenschap en rede mag voor de atheïst dan misschien een plausibel geloof zijn, hij zou toch de fout niet mogen maken andere mensen hun geloof te ontzeggen. Zelf zou ik in geen geval kiezen voor zo’n gelijkschakeling, en gelukkig heb ik op zondagochtend ook nog nooit een atheïst op mijn stoep gehad. U zet echter uw voet tussen de deur.

Vervolgens doet u alsof de strijd in de eerste hoorn is gestreden en is geëindigd in een glorieuze overwinning van de wetenschap. Volgens mij is uw argumentatie wat betreft die eerste hoorn nu echter klaar om opgeveegd en weggegooid te worden. Ik zou dit even snel willen doen door te laten zien dat uw hele redenering zichzelf aan de kraag omhoog houdt, en dat u zich daaruit redt door u te beroepen op uw eigen geloof. Als geloof uitstijgt boven de rede en het zich dus niet ophoudt binnen het gebied van de rede, is het niet minder dan elementair dat dit geloof geen redelijke betekenis kan krijgen. Als het geloof geen redelijke betekenis kan krijgen, dan houdt het zich blijkbaar niet op binnen het gebied van de rede. Deze twee zinnen houden elkaar keurig in evenwicht, maar dat zint u natuurlijk niet, en daarom behaalt u uw overwinning door middel van suggestieve naamgeving. Als doodssteek voert u het semantisch atheïsme op. Wie geen woorden kan vinden voor zijn geloof is volgens u semantisch gezien een atheïst. U bent natuurlijk vrij om dit verschijnsel te noemen hoe u wilt, maar u gaat te ver als u suggereert dat een semantisch atheïst ook in alle gevallen werkelijk een atheïst is. Ik kan uw semantisch atheïsme even gemakkelijk asemantisch geloof noemen, want dat de discussie over het bestaan van god eventueel betekenisloos is, betekent nog niet dat die god niet bestaat en dat ik Hem niet zou kunnen voelen. Het ligt er maar weer aan wat ik geloof.

U hebt geprobeerd om uit te sluiten dat het geloof uitstijgt boven de rede, maar daarbij bent u zelf niet van het gebied van de rede af geweest. Het is duidelijk dat u met beide benen vast op de grond staat. Redelijk bent u echter niet. Als men namelijk met u in gesprek wilt treden, moet men voldoen aan de Philipsenorm van redelijkheid. Men moet het geloof proberen te doorgronden met de rede, anders wijst u een beschuldigende vinger, u roept “Onredelijk!”, en wuift de argumenten opzij. Enige irrationaliteit wilt u niet toelaten in uw blikveld. U wilt er niet van weten dat rationaliteit is gebaseerd op grondvesten die we niet kennen, waarin we zouden verdwalen en ons klein en verloren voelen. Uw zekerheid is op niets gegrondvest, want u kunt niet naar de kelder gaan en dan zeggen: “Dit is het diepste punt, hier houdt het op, nu hebben we alles doorgrond en uitgeplozen.” U kunt misschien tot grote diepte redeneren, maar u zult altijd nóg dieper kunnen. Met geordende ratio komt men hoe dan ook nooit tot de diepste diepte. Hoe dieper je gaat, hoe gammeler je gangen, hoe gebrekkiger je comfort, hoe slechter de bevoorrading, hoe minder snel je voortgang. Hoe diep we nog moeten weet geen mens. Wie zal het zeggen? Natuurlijk kan ik deze metafoor ook de hoogte in redeneren; de toren van Babel kan niet worden afgebouwd.

Tot zover de eerste hoorn van de koe. Bij de tweede hoorn, waar de gelovige ervoor kiest om zijn geloof op het gebied van de rede te verdedigen, hebt u het natuurlijk een stuk gemakkelijker. Hier bestrijdt u het geloof op uw eigen terrein en schiet u simpel levensgrote gaten in de argumenten van elke gelovige die zo vermetel is het te betreden. Het is echter de vraag of u de gelovige ervan hebt overtuigd dat hij u moet volgen naar uw eigen territorium. U zegt dat de gelovige móet kiezen: óf geloof overstijgt de rede, óf het geloof ligt binnen het domein van de rede. De gelovige heeft hier echter al een middel in handen waarmee hij kan voorkomen dat u hem aan zijn lurven meesleurt naar de ongewenste conclusie. Voor een gelovige ligt het probleem van de hoorns namelijk vele malen simpeler dan u met uw logica kunt bevroeden. Hij gelooft, en wat dit voor implicaties heeft voor de rede doet niet ter zake. Als de rede anders zegt dan zijn overtuiging, is de rede óf fout, óf de rede is nog niet ver genoeg ontwikkeld. Dit zijn de twee hoorns van zíjn koe, en hij hoeft niet te kiezen. Het zou niet meer zijn dan een gok omdat geen van beide mogelijkheden zijn uit te sluiten. Maar daarmee diskwalificeert hij zich natuurlijk door onredelijkheid, en krijgt hij een rode kaart.

Binnen de tweede hoorn stelt u de redelijke gelovige voor een nieuw dilemma, dat deze helft uitputtend beslaat. Hij moet kiezen uit twee strategieën. Óf hij verklaart zijn geloof door het met argumenten goed te praten (explanation by justification), óf hij praat het goed door het te verklaren (justification by explanation). Op de eerste optie gaat u eigenlijk niet in, al besteedt u er wel een alinea aan. Maar natuurlijk hebt u wel degelijk gelijk als u zegt dat er nog steeds geen onomstotelijke argumenten en bewijzen zijn voor het bestaan van God. Misschien zal de wetenschap ze ooit geven. Daar kunnen we alleen net zo min op wachten als op wetenschappelijke bewijzen tegen God. Inderdaad lijkt deze strategie hopeloos.

Op de tweede optie gaat u wat verder in, goedpraten door te verklaren. Met deze verklaringen doelt u op de verklaringen van de geïnstitutionaliseerde godsdiensten. Men verklaart waarom men bestaat en daarmee schept men een god die deze verklaring zelf heeft gegeven (geloof is een gave van God, en in die gave laat Hij zichzelf aan ons zien). Hier komt u echter opnieuw met een nieuw dilemma voor de dag, het dilemma van de verschillende godsdiensten. Want hoe kunnen we verklaren dat ze naast elkaar bestaan? Als we u moeten geloven kunnen we hier twee wegen bewandelen. Óf we kiezen voor ons eigen geloof, het geloof in onze eigen god, óf we kiezen ervoor om een overkoepelend geloof te ontwerpen waarin de verschillende goden verschillende geloven hebben gegeven aan de verschillende gelovigen. Volgens u is hier de tweede keuze alleen al niet mogelijk omdat de monotheïstische religies ervan uitgaan dat er slechts één god is, hun eigen. Als dat waar is, dan moeten die andere godsdiensten ernaast zitten, en andersom. Deze optie wordt door u dus op logische gronden afgewezen. Maar daarbij laat u minstens een optie onbesproken. Als een god geloof kan geven, dan kan hij natuurlijk best zeggen dat hij de Enige is. Hij kan namelijk zeggen wat hij wil omdat de mensen toch alles geloven wat hij zegt. En als hij aan een beetje grootheidswaanzin lijdt (en dit is niet ongewoon onder goden) dan is zoiets snel beweerd. Deze mogelijkheid zal natuurlijk niet snel door een gelovige worden aangedragen, maar als buitenstaander is hij wel het overwegen waard.

Daarna gaat u in op de vele scheppingsverhalen die elkaar natuurlijk tegenspreken, en die ook nog eens strijdig zijn met wat de wetenschap ondanks alles al wel heeft achterhaald. Verder zouden de Germanen hun geloof volgens het overkoepelende geloof hebben gekregen van Wodan en kornuiten, de Hindoes hún religie van Shiva en zijn vrienden, en primitievere volken zouden hun bijgeloof hebben ontvangen van bosgeesten en demonen. De Romeinen gingen er ten bate van de rust in hun rijk toe over om de goden van de overwonnen volken een plaats te geven in hun Pantheon. Dat Pantheon raakte in de loop van de tijd al redelijk overbevolkt, maar als we er alle goden die ooit zijn bedacht en ooit zullen worden bedacht een plaats moeten geven, dan kunnen we het gerust gaan vergelijken met een potje met pieren. Het zou trouwens ook een flink gekrakeel worden, want iedere god heeft weer het zijne te zeggen, en dat strook lang niet altijd met de meningen van zijn buurman. Maar opnieuw aan de andere kant, waarom zou de godenwereld er anders uitzien dan die van de mensen?

De eerste keuze, het vasthouden aan het eigen geloof, houdt volgens u evenmin stand, alleen al omdat het een onvergeeflijk geval van ‘eigen god eerst’ zou zijn. Het zou niet juist zijn om die eigen god voor te trekken, dus moet iedere god gelijke kansen krijgen. Daarmee wordt het een soort competitie tussen de verschillende geloven, en de wetenschap doet hierin ook mee. In die competitie doet zich weer een volgend dilemma voor. Dit laatste dilemma betreft de reikwijdte van de winnaar van de competitie tussen de geloven. De eerste hoorn van dit dilemma houdt in dat de ware god zijn ware geloof alleen heeft gegeven aan zijn volgers en dat de ware religieuze verklaring van geloof alleen de religie verklaart die wordt goedgepraat door het accepteren van die verklaring. Volgens u moeten we in dat geval natuurlijk voor de wetenschap kiezen omdat die het grootste bereik heeft en dus ‘meer’ waar is. De tweede hoorn van dit dilemma houdt in dat we aannemen dat de winnaar van de competitie alle religies heeft veroorzaakt. Maar het is natuurlijk onverteerbaar dat bijvoorbeeld de barmhartige god van de christenen die arme Germanen heeft afgescheept met zulke wrede goden als Thor en Wodan, dus ook hier komt de wetenschap als winnaar uit de bus.

Slim hebt u alle bestaande doctrines opgerold door ze tegen elkaar uit te spelen. Nu hebt u ook de tweede hoorn helemaal in handen en kunt u er met een gerust hart van uitgaan dat de gelovige zijn geloof in de steek zal moeten laten als hij het wil verklaren, en dat hij om die rede wel atheïst móet worden. Hij zal op zoek moeten gaan naar aardse verklaringen, logische verklaringen, redelijke verklaringen, verklaringen naar uw hart. U bent een tevreden man. U bent toe aan uw conclusie. Ik moet echter eerst nog een derde optie laten zien die u onbesproken hebt gelaten in de laatste hoorn van het laatste dilemma. De gelovige kan namelijk ook nog betogen dat de ware God (voor het gemak ga ik er even vanuit dat er slechts één god is) voor ieder volk een vorm aanneemt die dat volk het best zal kunnen aanbidden. Wat maakt Hem het uit in welke vorm Hij aanbeden wordt, als het maar gebeurt. Zolang er maar wordt geloofd! Het feit dat iemand die zijn geloof van de hogere macht heeft gekregen, die hogere macht een plaats geeft in zijn werkelijkheid in de ongeloofwaardige gedaante van een man met een baard, wil nog niet zeggen dat dat geloof geen gave is van een hogere macht. Het wil dus in geen geval zeggen dat die hogere macht niet bestaat en dat zijn gave volkomen waardeloos is. De verschillende beelden van god wijzen er in dit scenario alleen op dat mensen soms, en misschien onterecht, proberen zich iets voor de geest te brengen wat ze eigenlijk helemaal niet kunnen zien. Hoe men zich die macht uiteindelijk voorstelt is cultuurgebonden, en de verschillen zijn inderdaad interessant onderzoeksmateriaal voor de wetenschap; er zijn vast en zeker mooie aardse verklaringen voor te vinden. Maar daarvoor hoeft de gelovige zijn geloof niet in de steek te laten, hij hoeft er misschien alleen even van abstraheren.

Ik mag nu concluderen dat de wetenschap er op geen enkel terrein in is geslaagd een totale en volledige overwinning te forceren. Logisch gezien komen we er zo dus niet uit, en de agnostiek hebt u buiten de lijnen gezet. Ik heb nu echter ook aangetoond dat men zich niets hoeft aan te trekken van uw gefluit en dat men best buiten uw veld spelen kan, ook al vindt u dat dat niet mag. Ik breng de agnostiek dus weer in het spel. De agnostiek hebt u verworpen door te zeggen dat het afwegen van voors en tegens zich volledig op het gebied van de rede afspeelt en dat de agnost zich daarom niet kan beroepen op het argument dat er meer zou kunnen zijn dan de rede. Dit klinkt inderdaad mooi en daardoor geloofwaardig, maar natuurlijk is het te simpel. U hebt het namelijk weer suggestief geformuleerd. In werkelijkheid kan de mens in alle redelijkheid niet ontkennen dat het geloof wel eens boven de rede uit zou kunnen stijgen, en met de rede valt er in deze zaak niets aan te tonen of af te wijzen. De agnost houdt dus beschikking over zijn redelijke voors en tegens, kan maar niet kiezen en blijft gewoon agnost. Logisch gezien blijft ons zelfs niets anders over dan de agnostiek omdat er zonder zekerheid eigenlijk niet gekozen kan worden. Wat we natuurlijk wel kunnen doen is gewoon kiezen wat ons het meeste aanspreekt.

Ik heb, net als u, gekozen voor het atheïsme. Het is namelijk de meest logische keuze. Waarom zou je kiezen voor een waarschijnlijkheid die aan nul grenst, als je een andere optie hebt die een stuk beter overeenkomt met de feiten en die ook nog eens gewoon met beide benen op de grond blijft. Vertrouwen is nu eenmaal nooit een van mijn sterke kanten geweest. Aan onpartijdigheid hecht ik echter wel enige waarde, en u bent in uw manier van betogen niet bepaald onpartijdig geweest. U legt de gelovige uw eigen taal en het zwijgen op en u sluit hem buiten. U spreekt hem niet aan, u spreekt hem belerend toe, en u manipuleert de feiten zo dat uw eigen geloof als glorieuze winnaar uit de bus komt. Op die manier sleurt u de gelovige niet mee naar uw conclusie, u perst hem naar buiten via de vluchtwegen die u tot uw schande open laat. Redelijk wordt u pas als u staat voor uw eigen zelfvoldane publiek dat instemmend knikt. Jammer genoeg hoeft u nu niemand meer te overtuigen.

Dit alles wordt enigszins goedgemaakt door uw goede bedoelingen. U gelooft nu eenmaal dat de wereld beter af zal zijn zonder god. En u bent slechts zo grof geweest opdat uw pijl doel zou treffen, rekening houdend met de zijwind van tegenargumenten. Soms moeten we stellingen nu eenmaal hard stellen, anders gaat onze stem verloren in het gepraat, waarna de strak gerichte pijl meegenomen door de wind ergens in het kreupelhout belandt en wij roependen worden in de woestijn. U bent in uw betoog helaas té hard geweest, zodat uw pijl toch in het kreupelhout terecht is gekomen. Maar gelukkig heb ik intussen wel degelijk gezien waar uw pijl op was gericht en, zoals ik al eerder zei, ben ik het in grote lijnen eens met uw conclusie. Maar natuurlijk wel op mijn eigen voorwaarden. Zeker, het zou de wereld overzichtelijker maken als iedereen zijn god opgaf. Er zouden minder irrationele dingen gebeuren die een wetenschapsman als u het hoofd doen schudden. U houdt echter met een aantal zaken geen rekening. Ik volgde laatst een auto met op de achterruit de volgende tekst: ‘Jezus geeft vrede’. Het was in die situatie een gerechtvaardigde gok om aan te nemen dat de mensen in die auto in de Heere waren en de vrede hadden ontvangen. Dan vraag ik u: Wilt u hen die vrede weer ontnemen, alleen voor uw eigen gemoedsrust? Ikzelf zie daar geen enkele rede voor; ik ben ongeveer even jaloers op hun vrede als op uw zekerheid. Inderdaad, mensen maken het elkaar en zichzelf moeilijk vanwege het geloof. Maar het is zeer onwaarschijnlijk dat ze het zonder geloof minder moeilijk zouden hebben. Het zou een grove overschatting zijn van de menselijke redelijkheid als we dat zouden denken, en daarnaast hoeft de wereld van mij niet zozeer overzichtelijk en redelijk te zijn.

Mijn grootste probleem met uw tekst heb ik echter nog steeds onbesproken gelaten. Dat probleem doet zich pas voor in uw allerlaatste zin. Sterker nog, het begint pas met de allerlaatste woorden van uw allerlaatste zin: ‘celebrations of life as it is’. Wat maakt u me nou? U bent net lekker op dreef, de inleiding hebt u gehad, de tegenstanders zijn overwonnen, dus nu kunt u eindelijk beginnen met uitleggen hoe het volgens u nu allemaal werkelijk in elkaar steekt. Maar dan stopt u ineens, en blijf ik met de vraag achter: wat is dat in godsnaam, life as it is? Waar heeft u het over zo vlak voor u ons verlaat, en wat moeten we celebreren? Zolang dat niet gedefinieerd wordt, blijft het leven in die laatste zin verwijzen naar semantische dood, en daarmee weten we natuurlijk nóg niets. Het leven zal dus een definitie moeten krijgen. Ik zal zo vrij zijn om op deze plaats daartoe een denkrichting voor te stellen.

Hiervoor zal ik me eerst af moeten vragen wat voor leven we zouden kunnen eren. Is dat ons leven, het leven der mensen dat we hier leiden, dat we kunnen zien en aanraken, waarin we al die banale en alledaagse dingen meemaken? Dit lijkt me onwaarschijnlijk, niet in de laatste plaats omdat we dit leven eigenlijk alleen kunnen eren door het te leven. Riten moeten echter naar iets groters verwijzen, iets dat we niet kunnen begrijpen en bevatten, het moet iets zijn dat boven ons uitstijgt maar waar we toch onlosmakelijk mee zijn verbonden. Het bovennatuurlijke hebben we echter uitgesloten, omdat we nu eenmaal geloven dat het niet bestaat. We gaan er dus vanuit dat er geen wezen is dat ons bestuurt en heeft geschapen, en we gaan er juist wel vanuit dat de dood het einde is van onze gedachten.

Als uitgangspunt voor de beantwoording van de vraag waarvoor we op de knieën zouden kunnen gaan zal ik de eindeloos voortschrijdende wetenschap nemen, de wetenschap die oneindig vooruitgang kan boeken. Ik heb al beschreven hoe zij nooit het onderste uit de kan zal kunnen halen. Nu zal ik echter verder gaan. Tegenover de grootheid die u haar toedicht, stel ik haar nietigheid, en tegelijkertijd die van de mensheid. De mens kan alleen verklaren wat zich in zijn onmiddellijke omgeving voordoet. De wetenschap breidt onze kennis enigszins uit, maar eigenlijk mag dat geen naam hebben. Om dit te illustreren zal ik de Germanen er weer eens bij nemen met hun, volgens u, onsmakelijke mythologie. Zij dachten dat we leven in de schedel van een gigantische dode reus. Dit is natuurlijk een onwaarschijnlijk verhaal, maar misschien hebben zij het toevallig voor een deel bij het rechte eind gehad. Die reus leeft echter nog, en ons uitdijend universum, dat begon bij de oerknal, is onderdeel van zijn stofwisseling en verbranding. Onze miljarden jaren zijn voor hem in nog geen fractie van een oogwenk voorbij. Mijn fantasie slaat op hol en ik fantaseer nog een andere fantasie: ons uitdijende heelal wordt samen met andere heelals ingezet om een zuiger in beweging te zetten in de motor van een speelgoedtreintje. Laat de gedachten maar de vrije loop.

Natuurlijk hebben mijn twee mogelijkheden, net als al die andere, een waarschijnlijkheid die dicht tegen de nul aan zit. Maar ze voor de volle honderd procent uitsluiten kunnen we niet, omdat het gebied waarop ze zich begeven nu eenmaal voorbij onze horizon ligt; misschien past hier een mooie 99,9/. Zeker is echter dat we een verhaal zouden kunnen bedenken dat waar is. ‘Zouden kunnen’, omdat we het ware verhaal waarschijnlijk nooit zullen bedenken, en áls we het ooit zouden bedenken, zou het voor ons gewoon één van de vele verhalen zijn. We herkennen het gewoon niet als waarheid. Mijn twee onwaarschijnlijke kanshebbers kunnen daarom toch dienen als goede illustraties bij mijn betoog. Ze geven ongeveer aan hoe men oneindigheid kan begrijpen. Oneindigheid is per definitie een altijd verder oprekbaar begrip, oneindig verder oprekbaar dan ons voorstellingsvermogen. Die oneindigheid impliceert dan ook dat ons leven onderdeel uitmaakt van een geweldig geheel waarvan we slechts een miniem deel zullen kunnen bevatten, en waar we nooit of te nimmer overzicht op zullen krijgen. Onze beelden van de werkelijkheid, of ze nu ingegeven worden door wetenschap of religie, zijn zo nietig dat ze te klein zijn om waar te nemen. Ze gaan verloren in het grote geheel dat, ondanks onze pogingen om alles afzonderlijk te laten bestaan, een eenheid is en enkel bestaat. Hiervoor zouden we eventueel ontzag kunnen hebben. We kunnen het met Heidegger het Zijn noemen, met Plotinus het Ene, of het Al. Maar dit blijven toch allemaal namen die enigszins de pretentie tonen dat we ongeveer weten waar we het over hebben. Daarom stel ik een andere naam voor, een naam die geen enkele pretentie in die richting heeft en die ons klein en onwetend laat zijn. Laten we dit leven God noemen, dan geven we direct toe dat dit alles eigenlijk slechts metafysica is, iets waarin we alleen maar kunnen geloven. U stelt dat de gelovige atheïst moet worden om zijn geloof te kunnen doorgronden. Maar misschien is het net zo waar dat de atheïst religieus moet worden om zijn atheïsme ten volle te kunnen begrijpen. Dit klinkt in elk geval mooi, en het stelt ons direct in staat om gewoon door te gaan met de gebruikelijke riten, zoals u al voorstelde.

Hoogachtend en met vriendelijke groet,

Sander van der Meijs

Dit bericht werd geplaatst in (A)theïstische manifesten en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s