Duelleren op de kilometer

Dinsdag 30 januari. Loopgroeptraining. Nog 82 dagen tot de marathon van Londen

Duel met Robert-Jan‘We gaan lekker veel lopen’, zegt Geurt, onze trainer, als we de kanaalboulevard op komen, een prachtig, breed, glad en kaarsrecht stuk asfalt waar alleen fietsers en wandelaars mogen komen. Bovendien staan er om de 100 meter mooie paaltjes waar we tijdens het lopen precies aan kunnen zien hoe ver we zijn, waardoor het een ideale plek is om te trainen. Geurt loodst ons er dan ook regelmatig heen.

‘Hè vervelend’, grappen wij. ‘Lopen! Precies waar we zo’n hekel aan hebben!’

Als we onze loopoefeningen hebben afgewerkt – hoge knieën, hakken-billen, lange benen, loopsprongen, doorversnellen, alles erop en eraan – kondigt Geurt de eerste oefening aan van het hoofdprogramma. We beginnen met honderd meter dribbelen, dan versnellen we en lopen we tweehonderd meter hard, daarna dribbelen we weer honderd meter om de hartslag omlaag te krijgen, waarna we opnieuw tweehonderd meter hardlopen, dan volgt nog een keer honderd meter dribbelen, en tot slot draaien we bij het paaltje van 700 meter direct om en rennen het hele stuk in een constant tempo van ongeveer vier minuut per kilometer terug.

In de pauze die op deze oefening volgt speculeren we al over de tweede opdracht. ‘Nog een keer tweehonderd hardlopen en een honderd meter dribbelen er bovenop?’, opper ik. ‘En dan een kilometer terug in het constante tempo.’ Maar dat blijkt pas de derde oefening te zijn. Eerst doen we nog een keer hetzelfde maar dan met driehonderd meter hardlopen in plaats van tweehonderd. Waarna we 900 meter terug moeten. Tot slot lopen we nog drie keer driehonderd meter met bijbehorende dribbels, en 1300 meter terug.

Alles doen we keurig zoals aangegeven door Geurt. Behalve die vier minuut per kilometer op de stukken terug, daar komen we niet eens bij in de buurt. Vooral de laatste langere afstanden loop ik samen met de grote sterke Robert-Jan vooraan. Het gaat steeds harder, omdat we elkaar geen centimeter willen toegeven.

Op de finale halve kilometer probeer ik hem met speldenprikken kapot te maken. Ik weet dat ik beter ben op de lange afstanden, alleen is dit bepaald geen lange afstand en hij heeft een zeer sterke wil. Hij bijt zich vast en laat niet los. Daarom moet ik hem vóór de laatste tweehonderd meter slopen, anders ben ik het haasje. Maar zelf loop ik ook op mijn top, en echt versnellen kan ik niet meer. Dus weet hij me in de laatste honderd meter alsnog van zich af te schudden.

Maar het voelt niet als verlies. Het voelt als een speels duel tot het uiterste, waar we allebei plezier aan beleven. En voor dat plezier hebben we elkaar nodig. Bovendien kan ik in de race opnieuw in praktijk brengen wat ik afgelopen donderdag heb geleerd bij de intervaltraining. Ik vermijd de verkramping van mijn bovenlijf als het tempo sneller wordt. Ik blijf de ontspanning zoeken en dat maakt het lopen zoveel prettiger. Het is iets wat ik met mijn hersens wel wist, maar wat ik met mijn lichaam echt moest ontdekken.

En achteraf moet ik constateren dat we op de lange afstanden minstens even snel of zelfs sneller hebben gelopen dan in de sprints. Dat had Geurt vast niet in gedachten toen hij de oefening bedacht. Al had hij natuurlijk ook best zelf kunnen bedenken dat dit zou gebeuren.

Dit bericht werd geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s