Presteren, schoonspringen en Jeffrey Hoogland

Woensdag 11 april. Rustdag. Nog 11 dagen tot de marathon van Londen.

Terwijl ik naar de fysiopraktijk fiets om gekneed te worden door Kay, herinner ik me wat Geurt gisteren over me zei. Ik had verteld dat ik deze laatste week nog zeker 100 kilometer zou gaan lopen, wat nogal wat verbazing opwekte. Maar Geurt bleef gedecideerd.

“Sander is heel belastbaar”, zei hij. “Bovendien houdt hij van hardlopen.”

Op beide punten heeft hij gelijk, al moet ik zeggen dat de pijn in mijn linkerbeen niet is opgehouden en soms zelfs wat te veel wordt. Maar voor een marathon trainen doet altijd pijn, dat is helemaal niets bijzonders.

Dat hij zo over me spreekt zegt in mijn ogen iets over het vertrouwen dat hij in me heeft. Ik ben blij met dat vertrouwen en het spiegelt ook het vertrouwen dat ik in hem heb als coach. De opdracht die we volgende week samen voor mij gaan uitdenken zal ik keurig uitvoeren, juist omdat ik erop vertrouw dat hij niet meer van me vraagt dan ik aankan, maar zeker ook niet minder.

Hij weet wat ik kan en wil niets liever dan me zien presteren.

De massage van Kay is vervolgens vooral onderhoud. Het is geen martelsessie, zoals vorige week. Terwijl hij mijn kuiten onderhanden neemt, waarbij ik heus wel een paar keer een flinke wegtrekker krijg, hebben we het vooral over de keren dat we kapot zijn gegaan. Ik op de marathon, hij op een lange fietstocht en in een bergrit.

Maar geen van beiden kunnen we op tegen een vriend van hem in het baanwielrennen. Die kon na een rit niet meer op zijn benen staan, wat mij weer deed denken aan Jeffrey Hoogland, die eerder dit jaar in Apeldoorn wereldkampioen werd op de kilometer.

En laat Kay het nu precies over die Jeffrey Hoogland hebben. “Wat een held”, zeg ik. Want ik heb diepe bewondering voor wat Hoogland daar liet zien, zo nietsontziend sprinten, zo doorgaan tot werkelijk alles pijn doet, tot je niets meer kunt, tot het absolute naadje.

Daarmee wereldkampioen worden, dat is een heldendaad.

Maar het doet ook wel wat met je lichaam, brengt Kay daar tegenin. Je maakt er dingen mee kapot en hij betwijfelt of het verstandig is om zo met je lichaam om te gaan. Die opmerking doet mij weer denken aan de drukker die ik zaterdag ontmoette, toen ik een t-shirt liet bedrukken met het logo van GOAL for the Gambia.

Die drukker vond hardlopen leuk om te doen, maar hij moest altijd eerst een vreselijk grondige warming-up doen, anders konden zijn spieren het niet aan. Voor hardlopen had hij namelijk de verkeerde sport beoefend toen hij jong was, vertelde hij, schoonspringen. Blijkbaar geeft die duikplank je benen bij het springen steeds zo’n opdoffer dat er allemaal kleine scheurtjes ontstaan die nooit meer weggaan.

Met mijn spieren is daarentegen alles in orde, oordeelt Kay vlak voordat ik wegga. “Ik voel wel dat je er iets mee hebt gedaan”, zegt hij. “Maar er is niet veel aan de hand.”

Daar kan ik de laatste week mee in.

Dit bericht werd geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s