Donderdag 19 april. Rustig kort loopje. Nog 3 dagen tot de marathon van Londen.
Als ik in de stad loop op zoek naar cadeaus voor de vrienden in Cambridge waarbij we morgen gaan logeren, belt Geurt me op. Eerder had ik hem in een berichtje gevraagd of hij vandaag tijd heeft om het wedstrijdplan door te spreken.
Hij is het er helemaal niet mee eens dat ik door de stad loop te banjeren. ‘Jij mag daar helemaal niet zijn, niet in de stad en je mag al helemaal niet stadten’, knort hij. Rennen mag ik wel even, maar verder moet ik met mijn benen omhoog gaan zitten, drinken bij de hand, liest met mijn ogen dicht.
In ieder geval heeft hij nu tijd voor me, en we spreken af dat ik het stadten zo snel mogelijk afmaak. Daarna kom ik naar hem toe.
Net voordat ik bij hem aanklop komt er een mail binnen van de organisatie van de London Marathon. Het is een ‘Important weather update for Race Day’. Het lijkt met 23 graden Celcius de warmste marathondag ooit te gaan worden, zo vertelt de mail. Het vorige record stond op 22,2 graden en is nu nog in handen van 1996 en 2007.
Goed om te weten.
Maar Geurt weet me op te beuren. Hij geeft aan dat ik goed genoeg getraind ben om dit aan te kunnen. We spreken af dat ik gewoon volgens plan van start ga, op een tempo van 4:10. Dat moet ik vol kunnen houden. Ik moet er alleen wel heel goed op letten dat dit de eerste 25 à 30 kilometer heel makkelijk aanvoelt. Als ik er eerder moeite voor moet gaan doen, is het toch nodig om mijn tempo aanpassen.
Dan moet het maar een volgende keer maar gebeuren, maar daar gaan we niet vanuit. Ik ga het gewoon doen!
Hij geeft me nog een paar gelletjes mee, twee die ik zonder water kan nemen en drie met cafeïne. Vanaf 20 kilometer moet ik er elke vijf kilometer een nemen. En op 20 en 30 kilometer paracetamol slikken, dan blijf ik soepeler lopen.
Maar ondanks dat zal de laatste 15 à 10 kilometer vanzelfsprekend pijn doen. Dan is het een kwestie van doorzetten, houdt hij me voor. Voor die pijn heb ik nou eenmaal gekozen toen ik marathons ging rennen. En dat weet ik intussen maar al te goed.
Al deze moeite doe ik voor GOAL for the Gambia, het project dat ik steun met mijn marathon. Je mag me gerust sponsoren.
Geurt zit nog op Terschelling vanwege lekker weer, dus we hebben het schema van tevoren gekregen. Het is een opeenstapeling van heel snelle vierhonderd en tweehonderd meters. Snelheid, snelheid, snelheid, daar gaat het vandaag om.
Mijn rustweek is begonnen, maar vandaag merk ik daar natuurlijk nog weinig van. Overdag moest ik gewoon nog bijkomen van een weekend waarin ik meer dan 50 kilometer heb gelopen. En na het werk moet ik nog 10 kilometer rennen. Dat is wel minder, maar ook weer niet dramatisch veel minder dan vorige week maandag, toen ik dertien kilometer in een trager tempo deed.
Vandaag ren ik mijn allerlaatste lange duurloop voor de marathon. Hierna ga ik rusten, want, zoals Geurt altijd zegt, de marathon win je in bed. Dat schijnt een uitspraak te zijn van Gerard Nijboer, toch niet de eerste de beste, al is zijn beste prestatie een zilveren medaille.