Een halve marathon waarmee ik verder kan

Zondag 11 maart. De CPC halve marathon. Nog 42 dagen tot de marathon van Londen.

Sander en Wijnand voor de CPC 2018De eerste kilometers loop ik samen met Wijnand. Het gaat soepel en snel, het loopt heerlijk. Mijn horloge vertelt me dat we rond de 3:50 per kilometer gaan. Voor mij is dat prima. Maar voor Wijnand lijkt me dat aan de langzame kant, want hij wil onder de 1:20 lopen. Toch maant hij me tot rust als ik probeer te versnellen. Niet erg. Dit tempo voelt lekker en kost me nauwelijks moeite.

Maar dat verandert natuurlijk. Ergens rond de zes kilometer begin ik te vermoeden dat ik Wijnand al snel zal moeten laten gaan. Dat is misschien maar beter ook, dan kunnen we allebei onze eigen race lopen. Op zeven kilometer maak ik het officieel en loopt hij inderdaad een paar meter van me weg. Nog tot kilometer 9 zie ik hem voor me lopen. Daarna raakt hij uit zicht.

Het weer is schitterend. We hebben een fijne temperatuur en nauwelijks last van de wind. Terwijl de voorspellingen steeds onheilspellend zijn geweest, met regen en windkracht vier. Maar het is een prachtige dag. Als onze trein het station van Den Haag binnenloopt lijkt de zon zelfs door te breken. Gaan we het dan verdomme nog warm krijgen!?

Maar het is prettig dat de poncho’s die we hebben meegebracht om droog en warm te blijven in het startvak in onze tassen kunnen blijven. We zijn vroeg, dus ongeveer drie kwartier voor de start gaan we rustig wat kilometer kilometer inlopen met wat steigerungen aan het eind. Nog steeds heb ik geen idee hoe mijn lichaam een snelle halve marathon moet gaan lopen. Ik weet dat het kan, alleen begrijpen doe ik het niet.

Maar als we de startstreep voorbij zijn neemt mijn lichaam het over. Die begrijpt het wel.

Het is vervelend dat mijn horloge niet gelijk loopt met de kilometerborden langs de weg. Ik krijg steeds pas een kilometertijd door als we daar honderd meter of meer voorbij zijn. En als ik achteraf die kilometertijden vergelijk met die van Wijnand, dan blijkt dat ik in het begin veel sneller heb gelopen dan ik dacht.

Het 10 kilometer-bord bereik ik als er net 38 minuten voorbij zijn. Dat geeft wel aan dat ik een lekker tempo loop, maar na 12 kilometer moet ik toch ineens behoorlijk toegeven. Ik kan het strakke schema niet meer volhouden en ik moet gaan betalen voor de snelle eerste kilometers. Die kosten me nu steeds seconden boven de vier minuten. Zeker als we rond de 15 kilometer de boulevard van Scheveningen op moeten klimmen, gaat de rondetijd omhoog.

Maar gelukkig begint de finish in zicht te komen. Vanaf de pier is het nog maar zo’n vijf kilometer.

Dit zijn overlevingskilometers voor mij. Ik snak werkelijk naar het eind, en ik moet alle zeilen bijzetten om niet in te zakken. Hierbij helpt het werkelijk om me te concentreren op het neerzetten van mijn voeten. Als ik keurig op mijn voorvoet land en me goed laat doorrollen, dan blijft mijn snelheid op peil. Maar zelfs dat werkt de laatste kilometer niet meer. De verzuring is enorm en ik heb nauwelijks meer gevoel in mijn benen. Er komen me ook steeds meer lopers voorbij rennen terwijl ik zelf maar hier en daar een enkeling opraap.

Als dan eindelijk de finish werkelijk in zicht is, moet ik nog behoorlijk doorrennen om net op tijd te komen voor een tijd onder de 1:23. Op mijn tandvlees houd ik krap één seconde over.

Dat is een mooie troost. Als ik over die hele minuut heen was gegaan, dan was de teleurstelling compleet geweest.

1:22:59 blijft een uitstekende tijd waar ik trots op mag zijn. Daarnaast is het een tijd waar ik verder mee kan richting de marathon. Gelukkig maar, want dat is en blijft natuurlijk het ware en enige doel.

Als ik Wijnand tegenkom in het finishgebied blijkt die een geweldige 1:19:40 op de klok te hebben gezet. Dat maakt de dag helemaal goed, want het is voor het eerst dat er iemand van de club onder de 1:20 loopt. En dat is een ware mijlpaal.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Tags: , | Plaats een reactie

Stoutste dromen

Zaterdag 10 maart. Rustdag voor de CPC. Nog 43 dagen tot de marathon van Londen.

CPC 2017Ik heb slechte herinneringen aan de City-Pier-City-loop in Den Haag en ik heb zeer goede herinneringen. De eerste keer dat ik naar de residentie afreisde om er te rennen, twee jaar geleden, kreeg ik na drie kilometer last van mijn hamstring. Nog even liep ik door, maar al snel moest ik opgeven. Het was nog een geluk dat ik snel herstel van dat soort blessures, want het was maar een paar weken voor de marathon.

Vorig jaar liep ik daarentegen de halve marathon van mijn leven. Van tevoren had ik vanuit de loopgroep de opdracht gekregen om onder de 1:25 te rennen. Voorzichtig als ik was beloofde ik ze in ieder geval onder de 1:26 te duiken, terwijl ik in mijn stoutste dromen hoopte om de grens van 1:24 te doorbreken.

Twee weken ervoor had ik een wedstrijd over 10 kilometer gelopen die nog stevig in mijn systeem zat. Daar was ik heel snel begonnen, en dat tempo had ik goed kunnen vasthouden. Daardoor wist ik dat 4 minuten per kilometer redelijk comfortabel aanvoelde, wat ik naar Den Haag meenam in mijn bagage.

Opnieuw startte ik snel, wat overigens veel mensen doen doordat ze helemaal gespannen in het startvak hebben staan stuiteren. Daar ben ik geen uitzondering op. Ik schrok er dan ook van dat de eerste kilometertijd op 3:43 uitkwam. Maar het lopen voelde prima, dus liep ik door. Pas kilometer vijf ging in meer dan 3:50.

Ik wilde zo lang mogelijk hard lopen, waarna ik altijd nog comfortabel op die vier minuten per kilometer kon gaan zitten. Wat je in het begin hebt gewonnen geef je dan niet meer af.

Na tien kilometer moest ik inderdaad temporiseren op die vier minuten. Daar zat ik vervolgens soms net wat boven, soms net wat onder. Maar pas de eenentwintigste kilometer van de wedstrijd werd het echt zwaar. En toen kon ik hem met mijn tanden op elkaar uitlopen.

De laatste vijf kilometer hadden we vorig jaar wat last van de wind. En dat zal dit jaar waarschijnlijk hetzelfde zijn. Maar wat ik me vooral van het evenement herinner is dat ik heel makkelijk liep, soms zelfs aan kop van een groepje jongens die onder de 1:20 wilden lopen. Daar kon ik op dat moment best vrolijk van worden, al begreep ik dat ik nog wat zou gaan inleveren.

Maar heel veel leverde ik niet in, waardoor mijn stoutste dromen nog niet stout genoeg bleken. Ik eindigde in een keurige tijd van 1:22:32. Gemiddeld had ik 3:55 per kilometer gelopen, wat ik op dat moment bizar snel vond. Ik was er gewoon stil van.

Morgen wordt het weer minder mooi dan het vorig jaar was. Het gaat regenen, maar gelukkig is de voorspelling van windkracht 4 gematigd naar windkracht 3. Daar moet ik tegenop kunnen boksen in de laatste kilometers.

Maar ondanks dat ik nu beter getraind heb dan het afgelopen jaar, lijkt de tijd van de vorige keer nog altijd bizar snel en buiten bereik. Ik laat het daarom maar aankomen op het wedstrijdgevoel. Want een wedstrijd brengt toch vaak meer in me boven dan ik verwacht. En van tevoren kan ik me daar gewoon geen enkele voorstelling van maken.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Tags: , , | Plaats een reactie

De duivel en het detail

Vrijdag 9 maart. 40 minuten benen losgooien. Nog 44 dagen tot de marathon van Londen.

Tempo 8-3Net voordat ik me ga omkleden om een laatste keer te rennen als voorbereiding op de halve marathon van zondag, krijg ik een bericht van Wijnand, die zondag ook loopt. Hoe laat nemen we de trein, wat voor shirt doen we aan, gaan we tassen afgeven of niet?

Wat een vragen met nog bijna twee dagen te gaan!

Normaal gesproken bedenk ik me dit soort dingen pas op z’n vroegst de avond van tevoren. En nu moet ik eerlijk bekennen dat ik nog niet eens zeker weet hoe laat zondag de start zal zijn. Gisteren heb ik alleen toevallig gezien dat die vorig jaar om half drie plaatsvond.

Internet geeft zekerheid. Ook dit jaar valt het startschot om half drie. Dat geeft ons zondag zeeën van tijd. Uit de losse pols bedenk ik me dat we daar zeker anderhalf uur nodig zullen hebben om om te kleden en in te lopen, dus om 12 uur vertrekken is vroeg genoeg. De wedstrijd loop ik natuurlijk in mijn Run-Inn shirt. En ik meld Wijnand dat we onze tassen daar kunnen afgeven, want dat is allemaal uitstekend geregeld in Den Haag.

Maar er blijken meer opties te zijn dan dat. Want ik kan ook kiezen voor een mouwloos shirt, laat Wijnand me weten. Daar had ik niet eens aan gedacht. En ik zet het ook maar gewoon uit mijn gedachten. ‘The devil is in the detail’, bericht hij me nog, maar zondagochtend is het vroeg genoeg om die details uit te werken. Nu ga ik even veertig minuten rennen.

Onderweg zie ik Geurt staan bij een groepje mensen die trappen op en af aan het springen zijn. Ik ken de oefeningen wel die we daar soms moeten doen, en waarschijnlijk staan ze ons dinsdag ook te wachten.

“Laat ze werken Geurt!”, roep ik. Hij zwaait naar me, en vraagt zich vervolgens luidop af of ik vandaag niet een rustdag zou moeten hebben. Dat was inderdaad ideaal geweest. Maar morgen gaat Miriam met Sprettur zijn eerste endurancewedstrijd rijden over 20 kilometer. En daarbij moet ik natuurlijk voor groom spelen. Rennen gaat er morgen dan ook niet van komen, dus moet dat vandaag.

Niet het hele leven draait om míjn wedstrijden, zo is het nu eenmaal.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Plaats een reactie

Gevoel voor de grens

Donderdag 8 maart. 200 meters. Nog 45 dagen tot de marathon van Londen.

Tempo 8-3Vandaag ontwikkel ik vijftien keer snelheid op 200 meter. Dat doe ik in park Oog in Al, waar we tijdens de loopgroeptrainingen ook regelmatig 200 meters lopen. Daardoor weet ik precies waar de start is en ook precies waar de 200 meter eindigt.

Op voorhand lijkt vijftien keer veel. Maar tijdens de twee kilometer inlopen tel ik eens tot vijftien, waarbij me opvalt dat ik al heel snel bij de vijf aankom. Dat betekent dat ik al op één derde ben. Daarna ben ik al binnen drie keer over de helft, en eenmaal over de helft is er geen kunst meer aan. Dus nee hoor, 15 keer is niet veel.

Bovendien hoef ik steeds maar 200 meter. Dat is even aanzetten, wat doorlopen, de laatste meters doorbijten en een paar meter uitlopen. Minuut pauze.

Eenmaal begonnen ontwikkel ik aan beide kanten van de baan al snel een routine tijdens de pauze. Aan de kant waar ik de ruimte heb, wandel ik een halve minuut verder en dan draai ik om. Als de teller op 50 komt heb ik daardoor nog wat meters om te dribbelen voor ik weer met mijn 200 begin. Aan de andere kant kan ik niet doorlopen, omdat er een weg met veel fietsers ligt. Daar wandel ik twee keer de brug op en neer voordat ik begin met dribbelen.

Zo deel ik het allemaal keurig in delen op en schieten de 200 meters er snel doorheen. Een paar keer krijgt de routine wat meer kleur doordat er een jogger het park in komt. Die krijgt dan honderd meter voorsprong, waarna hij of zij een mooi doelwit vormt en alsnog rap wordt ingehaald. Twee keer doe ik hetzelfde met een fietser, wat nóg leuker is.

En ondertussen krijg ik steeds ongeveer 40 seconden de tijd om mijn snelle loop te analyseren. Zondag moet ik natuurlijk snel maar soepel lopen, en nu oefen ik steeds op de grens van soepel naar geforceerd. Soms ga ik er net overheen, dat moet ik niet doen. Andere keren loop ik perfect, en dat gaat helemaal niet zo veel langzamer. Ik probeer het gevoel voor die grens nog eens goed in me op te nemen, zodat ik het mee kan nemen naar zondag.

Zondag is het zaak om me in het begin niet gek te laten maken. Maar ik moet vooral ook niet te langzaam starten, want dat haal ik aan het eind nooit meer in. Bovendien hoef ik met mijn conditie helemaal niet voorzichtig aan te doen. Ik mag best wat risico nemen.

Met mijn conditie is helemaal niets mis.

Als ik na de vijftiende en laatste 200 meter loop uit te puffen, draait er juist nog een jogger mijn kleine parcours op. De gelegenheid om daar nog eens op volle snelheid langsheen te sprinten laat ik dan natuurlijk niet aan me voorbij gaan. Eén klein extraatje kan toch geen kwaad? En ik moet toch die kant op voor de twee kilometer uitlopen.

Geplaatst in Als ik over rennen schrijf, De weg naar Londen 2018 | Plaats een reactie

Lopen voor Pa Mondou

Woensdag 7 maart. Rustdag. Nog 46 dagen tot de marathon van Londen.

Pa MondouEr zijn intussen meer dan 50 dagen voorbijgegaan sinds mijn eerste blogpost over mijn training. En in de tussentijd heb ik ruim 750 kilometer afgelegd. Daarmee heb ik aan mijn techniek en mijn duurvermogen gewerkt. Ik heb een aantal pieken en wat dalen gekend. Ik heb zon, regen, wind, sneeuw en kou getrotseerd. Ik heb kortom hard gewerkt en het kan gewoon bijna niet anders of ik ben in de tussentijd een beter loper geworden.

Ook schrijf ik er elke dag over, en ik hoop dat jullie mijn posts leuk vinden. Alleen waar doe ik dit allemaal voor? Natuurlijk om op de marathon een goede tijd te lopen. Maar zeker ook voor het goede doel waar ik voor loop, GOAL for the Gambia.

Maar dan blijft de vraag waarom ik dit specifieke doel sponsor, want er zijn heel veel doelen waar je voor kunt lopen. Eindeloos veel goede doelen zelfs. En ik moet toegeven dat het voor een groot deel toeval is dat me nu inzet voor een aantal kinderen in Gambia.

Ik kreeg de kans om de marathon van Londen te lopen van een vriendin van me die vrijwilliger is voor GOAL for the Gambia. En toen ik van haar hoorde wat deze organisatie daar doet en hoe hard de vrijwilligers en vooral de lokale medewerkers zich inzetten om kinderen een veel betere kans te geven in het leven, toen wilde ik me daar best voor inzetten.

Als basisvoorziening ondersteunen ze bijvoorbeeld een kliniek die zo’n 10.000 mensen bedient en die voorheen zonder gediplomeerde mensen werkte, geen geneesmiddelen had en geen uitrusting voor eerste hulp. Nu is dat er allemaal wel en is de situatie dus voor heel veel mensen stukken verbeterd. Gezondheid is de basis van alles, en die is een stuk verbeterd door de kliniek.

Maar de mensen willen vanzelfsprekend ook nog iets doen met hun gezondheid. Ze willen een beter leven, ze willen leren, ze willen kansen creëren, in staat worden om verder te komen in het leven. En daar zijn scholen voor nodig.

Die vriendin van me raakte betrokken toen ze een school in Gambia bezocht waar kinderen in de meest smerige omstandigheden naar de wc moesten. Daar kon ze wat aan doen door zich in te zetten voor GOAL. Ze hebben er dan ook een eigen kleuterschool gesticht, de Bantangba Nursery School, en ze sponsoren nog vijf andere scholen.

Daarnaast ondersteunen ze meer dan 300 kinderen van allerlei leeftijden, zodat die naar school kunnen. Vijf pond per maand zorgt er al voor dat zo’n kind onderwijs krijgt. Daarvan wordt het schoolgeld betaald, het schooluniform, boeken, een boekentas en, niet onbelangrijk maar wel onbetaalbaar, een paar schoolschoenen.

Zo zijn er nog meer initiatieven die direct ten goede komen aan de mensen. En er blijft geen cent aan enige strijkstok hangen. Want juist doordat het zo’n kleine organisatie is kunnen ze precies laten zien waar het geld naartoe gaat en hoe het wordt besteed. En dus weet ik zeker dat het geld dat ik ophaal niet opgaat aan reisjes naar Gambia van de vrijwilligers. Die gaan er wel regelmatig op bezoek, maar dat betalen ze uit eigen zak. Het geld zorgt er direct voor dat een heel groot aantal mensen het beter krijgt.

Daarnaast is het een geruststelling dat ze niet met grote aantallen Westerse vrijwilligers naar Afrika trekken om de mensen aldaar te vertellen wat ze moeten doen. Want dat weten die mensen zelf wel het beste, daar hebben ze geen wijsneuzerige Europeanen voor nodig. Er worden lokale mensen in dienst genomen en opgeleid. Zo behandel je ze als partners en krijg je tegelijk niet van die rare situaties als de laatste tijd in het nieuws zijn geweest met hulporganisaties.

Maar dat zijn allemaal argumenten van het hoofd. Fijn om te hebben, maar niet iets om voor te gaan rennen. Wat me werkelijk over de streep trok waren de berichten die ik kreeg via facebook, vanuit de scholen zelf. De kinderen maakten spandoeken voor me en gingen ermee op de foto. En die foto’s stalen mijn hart op een grandioze manier. En niet alleen omdat het over mij ging.

En dan is er nog Pa Mondou Bojang, een 19 jarige jongen die ook bij wil dragen aan de gemeenschap en die je op de foto ziet bovenin deze post.

Pa Mondou wilde bij de Brufut marathon 22 kilometer rennen, om geld in te zamelen voor GOAL. Maar hij werd per ongeluk ingeschreven bij de 10 kilometer. Ik heb hem direct gesponsord, want ook al kon hij minder lopen dan de bedoeling was, hij verdient het sponsorgeld als hij iets wil doen voor de jongere kinderen, die daardoor dezelfde kansen kunnen krijgen als hij.

Bovendien volg ik graag zijn voorbeeld en loop hard voor GOAL for the Gambia. En willen jullie hem en zijn kleinere landgenoten dan sponsoren? Dan ga ik verder met het schrijven van stukjes over rennen, want er komen ongetwijfeld nog spannende dagen aan waar veel over te vertellen valt.

Alvast bedankt!

Geplaatst in De weg naar Londen 2018 | Plaats een reactie